ECLI:NL:OGEAA:2026:4

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
AUA202503505
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:614a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing doorbetaling loon en wedertewerkstelling na onregelmatig ontslag

Verzoeker trad op 3 januari 2024 in dienst bij verweerder als maintenance & cleaning man tegen een uursalaris van Afl. 11,72. Eind mei 2025 werd hij mondeling ontslagen, waarna hij zich op 8 juli 2025 meldde bij de Directie Arbeid en Onderzoek (DAO). Ondanks bemiddeling kwam geen regeling tot stand.

Verzoeker stelde dat het ontslag onregelmatig was en de arbeidsovereenkomst nog voortduurde. Hij verzocht het Gerecht om doorbetaling van salaris vanaf mei 2025 en wedertewerkstelling, met een dwangsom bij niet-naleving. Verweerder voerde schriftelijk verweer maar verscheen niet ter zitting.

Het Gerecht oordeelde dat het ontslag niet rechtsgeldig was beëindigd en de arbeidsovereenkomst nog bestond. Het verzoek tot doorbetaling van salaris werd toegewezen vanaf juni 2025, omdat het salaris over mei 2025 was betaald. Ook werd verweerder veroordeeld tot wedertewerkstelling binnen vijf dagen, met een dwangsom bij niet-naleving. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Verzoeker krijgt doorbetaling van loon vanaf juni 2025 en wordt binnen vijf dagen wedertewerkgesteld, met dwangsom bij niet-naleving.

Uitspraak

Beschikking van 7 januari 2026
Behorend bij AUA202503505 EJ
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
in de zaak van:
[Verzoeker],
te Aruba,
verzoeker,
hierna te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,
tegen:
de eenmanszaak
[Verweerder], h.o.d.n. [bedrijf van verweerder],
te Aruba,
verweerder,
hierna te noemen: [verweerder],
procederend in persoon.

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, ingediend op 27 oktober 2025;
- het verweerschrift, ingediend op 2 december 2025;
- de spreekaantekening van [verzoeker;
- de mondelinge behandeling van 16 december 2025.
1.2
Tijdens de mondelinge behandeling is verschenen [verzoeker] in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. [Verweerder] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
1.3
Beschikking is bepaald op vandaag.

2.DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1 [
Verweerder] exploiteert onder de naam [bedrijf van verweerder] een onderhoud- en schoonmaakbedrijf.
2.2
Op 3 januari 2024 is [verzoeker] in dienst getreden bij [verweerder] als “
maintenance & cleaning man”, tegen een uursalaris van Afl. 11,72.
2.3
Bij brief van 28 maart 2025 heeft [verweerder] aan [verzoeker] een schriftelijke waarschuwing gegeven, waarin het volgende werd geschreven:
“(…)
[Verzoeker] (…) ta ricibi e prome warning aki por escrito di mi persona [verweerder] pa motibo cu dia 28 februari 2025 no a presenta y no a yama mi persona informa mi cu no lo jega trabou.
(…).” [1]
2.4
Eind mei 2025 werd [verzoeker] mondeling door [verweerder] ontslagen
2.5
Op 8 juli 2025 heeft [verzoeker] zich gemeld bij de Directie Arbeid en Onderzoek (hierna: DAO). Dit blijkt uit het door hem in deze procedure overgelegde Rapport/Bemiddelingstraject van DAO.
2.6
Op 9 juli 2025 nam DAO contact op met [verweerder], die aangaf bereid te zijn met [verzoeker] in gesprek te gaan. Op de dag van de afspraak verschenen zowel [verzoeker] als [verweerder]. Partijen zijn niet tot een regeling kwamen.
2.7
Op 26 augustus 2025 kreeg [verzoeker] het bewijs van onvermogen zodat hij recht kreeg op kosteloze rechtsbijstand door een advocaat. Bij advocatenbrief van 10 oktober 2025 heeft [verzoeker] zich beroepen op de vernietigbaarheid van het ontslag en aanspraak gemaakt op doorbetaling van zijn salaris vanaf juli 2025, vermeerderd met een vertragingsrente van 50%, alsmede op het verlenen van toegang tot de werkplek, zodat hij zijn werkzaamheden kan hervatten.

3.HET VERZOEK

3.1
Naast verlof tot kosteloos procederen verzoekt [verzoeker] het Gerecht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] te veroordelen:
tot betaling van het salaris vanaf mei 2025, vastgesteld op Afl. 2.000,- per maand, vermeerderd met de 50% vertragingsrente, zulks voor zolang het dienstverband nog rechtsgeldig bestaat;
om [verzoeker] binnen 5 dagen na betekening van deze beschikking weer te werk te stellen op straffe van een dwangsom van Afl. 100,- per dag dat hij nalaat aan dit bevel te voldoen;
in de kosten van dit geding.
3.2 [
Verzoeker] heeft aan zijn verzoeken ten grondslag gelegd dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op onregelmatige wijze is beëindigd, waardoor het ontslag nietig is en de arbeidsovereenkomst nog steeds bestaat.
3.3 [
Verweerder] is in deze procedure niet verschenen, maar heeft wel schriftelijk verweer gevoerd.
3.4
Voor zover van belang voor de uitspraak worden de stellingen van partijen hierna besproken.

4.DE BEOORDELING

4.1
Uit het bewijs van onvermogen blijkt dat [verzoeker] niet in staat is om de kosten van deze procedure te dragen. Aan hem zal daarom verlof worden verleend tot kosteloos procederen.
4.2 [
Verweerder] heeft de door [verzoeker] aan zijn verzoek ten gronde gelegde stellingen niet weersproken, waardoor deze zijn komen vast te staan.
4.3 [
Verweerder] stelt dat hij [verzoeker] al enige tijd had laten weten dat hij ander werk kon zoeken omdat [verweerder] niet wist of zijn opdrachtgever het contract zou verlengen. Na een maand werd het contract toch voor drie maanden verlengd. Nadat de opdrachtgever van [verweerder] hem erop had gewezen dat hij destijds drie werknemers moest hebben, terwijl hij er slechts twee had, nam [verweerder] een nieuwe werknemer in dienst. Pas daarna zei DAO dat hij [verzoeker] opnieuw in dienst moest nemen, maar [verweerder] weigerde en stelde dat hij al een andere werknemer had aangenomen en geen plek had voor [verzoeker]. Hij bevindt zich in financiële moeilijkheden en verzoekt het Gerecht om tot een betalingsregeling te komen.
4.4
Op grond van artikel 7:614a BW geldt dat een arbeidsovereenkomst slechts schriftelijk en op basis van limitatief opgesomde gronden kan worden aangegaan. In dit geval is daarvan geen sprake. Dit betekent dat tussen partijen sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, die niet op een door de wet voorgeschreven wijze is beëindigd en daartom nog voortduurt. Het verzoek van [verweerder] om tot een betalingsregeling te komen kan het Gerecht niet opleggen. Daarvoor is instemming van [verzoeker] vereist, welke instemming hij niet heeft verleend. [Verzoeker] heeft wel verklaard
bereid te zijn een betalingsregeling te treffen met betrekking tot het achterstallige loon, maar niet in het kader van beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Partijen kunnen hierover natuurlijk afspraken maken. Daar staat het Gerecht buiten.
4.5
In het licht van vorenstaande worden de verzoeken van [verzoeker] toegewezen, met dien verstande dat het verzoek tot doorbetaling van het salaris wordt toegewezen met ingang van juni 2025, nu [verzoeker] ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat het salaris over de maand mei 2025 aan hem is uitbetaald en over de maanden daarna niet meer. Ook de wettelijke verhogingen worden volledig toegewezen. Het Gerecht ziet namelijk ambtshalve geen reden deze te matigen.
4.6 [
Verweerder] heeft het verzoek van [verzoeker] ter zake van wedertewerkstelling op straffe van verbeurte van dwangsommen niet weersproken. Het verzoek zal als niet weersproken worden toegewezen, maar wel gemaximeerd zoals hieronder vermeld.
4.7 [
Verweerder] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van [verzoeker] gevallen, begroot op Afl. 50,- (aan de griffier van dit Gerecht te betalen) aan griffierecht en Afl. 2.500,-- (niet aan de griffier van dit Gerecht te betalen) aan salaris van de gemachtigde (2 punten x tarief 5).

5.DE BESLISSING

Het Gerecht:
5.1
verleent [verzoeker] verlof tot kosteloos procederen;
5.2
veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] van Afl. 2.000,- aan salaris per maand vanaf juni 2025, vermeerderd met 50% wettelijke verhogingen, tot de datum dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;
5.3
veroordeelt [verweerder] om [verzoeker] binnen vijf dagen na betekening van deze beschikking weer te werk te stellen in zijn (oorspronkelijke) reguliere functie en werkplek, op straffe van een dwangsom van Afl. 100,- per dag dat [verweerder] mocht nalaten aan dit bevel te voldoen, met een maximum van Afl. 2.500,-;
5.4
veroordeelt [verweerder] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [verzoeker], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 50,- (aan de griffier van dit Gerecht te betalen) aan griffierecht en Afl. 2.500,-- (niet aan de griffier van dit Gerecht te betalen) aan salaris van de gemachtigde;
5.5
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit Gerecht, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.vrije vertaling naar Nederlands door Gerecht: (…) meneer [verzoeker] (…) ontvangt hierbij een eerste schriftelijke waarschuwing van mij, [verweerder], omdat hij zich op 28 februari 2025 niet heeft gemeld en mij niet heeft gebeld om te informeren dat hij niet op het werk zou verschijnen.