Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGEAA:2026:148

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
AUA202601522
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 705 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering opheffing conservatoir loonbeslag wegens onvoldoende onderbouwing ondeugdelijkheid vordering

In deze kortgedingprocedure vordert eiseres, dochter van gedaagde, opheffing van een conservatoir loonbeslag dat gedaagde heeft gelegd wegens een geschil over de koopprijs van een woning. Eiseres stelt dat partijen een lagere koopprijs van Afl. 60.000,- zijn overeengekomen, terwijl de notariële akte en schuldbekentenis een koopsom van Afl. 100.000,- vermelden. Zij heeft reeds betalingen en verbouwingskosten aangevoerd die haar stelling ondersteunen.

Het Gerecht overweegt dat de notariële akte en schuldbekentenis een sterke aanwijzing vormen voor de overeengekomen koopsom van Afl. 100.000,-. De door eiseres overgelegde Whatsappberichten bieden onvoldoende context om een lagere koopprijs aan te nemen. Er is dan ook geen summier bewijs van ondeugdelijkheid van de vordering van gedaagde.

Daarnaast heeft eiseres onvoldoende concreet gemaakt dat het beslag haar levensonderhoud bedreigt. De financiële situatie is niet voldoende inzichtelijk gemaakt en de berekeningen van gedaagde zijn niet weersproken. De belangenafweging leidt daarom niet tot opheffing van het beslag.

Het Gerecht wijst de vordering af, veroordeelt eiseres in de proceskosten en verleent gedaagde toestemming om kosteloos te procederen.

Uitkomst: De vordering tot opheffing van het conservatoir loonbeslag wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van ondeugdelijkheid van de vordering en onvoldoende onderbouwing van belangenafweging.

Uitspraak

Vonnis van 4 juni 2026
Behorend bij AUA202601522 KG
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van:
[Eiseres],
wonende te Aruba,
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres],
gemachtigde: mr. J.J.C. Odor,
tegen:
[Gedaagde],
wonende te Aruba,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. M.B. Boyce.

1.DE PROCEDURE

1.1 [
Eiseres] heeft op 29 april 2026 ter griffie van het Gerecht een verzoekschrift met producties ingediend. Op 20 mei 2026 heeft [gedaagde] producties ingediend.
1.2
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026, in aanwezigheid van partijen en hun gemachtigden. Zij hebben hun standpunten (verder) toegelicht, mr. Boyce aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd, en vragen van de rechter beantwoord.
1.3
Tot slot is aan partijen medegedeeld dat vandaag uitspraak wordt gedaan.

2.DE FEITEN

2.1 [
Eiseres] is de dochter van [gedaagde]. Zij wonen samen in een woning aan de [adres] te Aruba.
2.2
Bij notariële akte van 4 oktober 2024 heeft [gedaagde] het recht van erfpacht op het perceel met de woning aan de [adres] (hierna: de woning) geleverd aan [eiseres]. Bij diezelfde akte is een levenslang recht van vruchtgebruik van de woning gevestigd ten behoeve van [gedaagde]. De akte bepaalt dat de koopprijs Afl. 100.000,- bedraagt en dat de verplichting tot betaling daarvan is geconverteerd in een lening die moet worden voldaan volgens een door partijen opgemaakte schuldbekentenis van 23 augustus 2024. In die schuldbekentenis verklaart [eiseres] dat zij een schuld van Afl. 100.000,- heeft aan [gedaagde] voor de koop van de woning en dat de betaling “onderling verrekend” zal worden.
2.3 [
Gedaagde] heeft [eiseres] bij brieven van 31 oktober 2025 en van 11 december 2025 gesommeerd tot betaling van Afl. 65.215,- als restant van de overeengekomen koopprijs van Afl. 100.000,-.
2.4
Op 23 januari 2026 heeft [gedaagde] conservatoir loonbeslag gelegd onder de werkgever van [eiseres].

3.DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [
Eiseres] heeft de volgende vordering ingesteld (woordelijk weergegeven):
“1. verweerster te veroordelen om de executie van het beslag op het salaris van verzoekster onmiddellijk te staken en gestaakt te houden;
3. verweerster te veroordelen om schriftelijk te bevestigen dat er geen verdere executiemaatregelen zullen worden getroffen;
4. verweerster te gebieden de deurwaarder te instrueren het beslag bij de werkgever op te heffen en daarvan schriftelijk bevestiging te sturen aan verzoekster;
5.
5. verweerster te veroordelen in de proceskosten en de kosten van dit kort geding.”
3.2 [
Eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Partijen zijn onderling overeengekomen dat [eiseres] de woning van [gedaagde] koopt voor Afl. 60.000,- en dat zij daarnaast voor Afl. 40.000,- de woning zal verbouwen. In de leveringsakte en de schuldbekentenis staat weliswaar een koopsom Afl. 100.000,-, maar dat hebben partijen alleen zo opgeschreven om een hogere banklening te kunnen krijgen. Inmiddels heeft [eiseres] in totaal Afl. 58.175,- aan [gedaagde] betaald en bovendien Afl. 45.104,44 besteed aan de verbouwing van de woning. Het gelegde loonbeslag is dan ook onrechtmatig.
3.3 [
Gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.
3.4
Het Gerecht zal hierna, waar nodig, nader ingaan op de standpunten van partijen.

4.DE BEOORDELING

4.1
Het Gerecht begrijpt dat [eiseres] in feite alleen opheffing van het conservatoir derdenbeslag vordert (onderdeel 4 van de vordering). Van executie van het beslag is immers nog geen sprake (onderdelen 1 en 3 van de vordering; onderdeel 2 ontbreekt in de nummering).
4.2
De kortgedingrechter kan op grond van artikel 705 Rv Pro een conservatoir beslag onder meer opheffen indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen vorderingsrecht. Het Gerecht begrijpt uit de stellingen van [eiseres] dat zij zich hierop beroept. Daarbij ligt het op de weg van [eiseres], die de opheffing vordert, om aannemelijk te maken dat de door [gedaagde] gestelde vordering ondeugdelijk is, met inachtneming van de beperkingen van de kortgedingprocedure. De kortgedingrechter heeft te beslissen aan de hand van wat partijen naar voren hebben gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal hebben onderbouwd. Het oordeel of het beslag deugdelijk of ondeugdelijk is gelegd, is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel van de kortgedingrechter. Bij de beoordeling moet de kortgedingrechter ook een afweging van de wederzijdse belangen maken.
4.3
Tussen partijen staat vast dat een koopovereenkomst tot stand is gekomen en dat daaruit een betalingsverplichting voor [eiseres] voortvloeit. Partijen zijn het niet eens over het bedrag dat [eiseres] nog verschuldigd is aan [gedaagde]. Belangrijk onderdeel van deze discussie is welke koopprijs partijen zijn overeengekomen: Afl. 60.000,- zoals [eiseres] stelt, of Afl. 100.000,- zoals [gedaagde] betoogt.
4.4
Het Gerecht overweegt dat zowel de notariële leveringsakte als de – door beide partijen ondertekende – schuldbekentenis een koopsom van Afl. 100.000,- vermeldt. Deze documenten vormen dan ook een sterke aanwijzing dat die koopsom is overeengekomen. [Eiseres] verwijst ter onderbouwing van de gestelde afgesproken koopsom van Afl. 60.000,- naar een screenshot van Whatsappberichten tussen partijen op 31 juli 2024. In deze berichten noemt [eiseres] inderdaad een bedrag van Afl. 60.000,-, maar daarna noemt zij ook een bedrag van Afl. 100.000,-. Deze berichten zijn klaarblijkelijk onderdeel van een uitgebreider gesprek over de koop(som), maar het volledige gesprek is niet overgelegd waardoor de context en de bedoeling van partijen niet duidelijk wordt. Het Gerecht kan uit deze enkele berichten niet afleiden dat partijen een koopsom van Afl. 60.000,- hebben afgesproken. [Eiseres] verwijst ook naar een screenshot van Whatsappberichten op 27 juni 2025 waarin [gedaagde] schrijft dat [eiseres] Afl. 18.515,- moet betalen. Uit deze berichten blijkt niet dat dit bedrag te maken heeft met de koop van de woning; wel worden een visacard en andere zaken genoemd. Zonder verdere context kan deze screenshot dus evenmin steun bieden aan [eiseres] stelling dat een koopsom van Afl. 60.000,- was afgesproken.
4.5
De conclusie van het voorgaande is dat niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van [gedaagde] vordering, die uitgaat van een koopsom van Afl. 100.000,-. Dat sprake is van een andere grond voor opheffing van het conservatoir beslag, is niet gesteld of gebleken.
4.6
Een afweging van de belangen van partijen brengt niet mee dat desondanks het conservatoir beslag moet worden opgeheven. [Eiseres] heeft in het verzoekschrift wel (in een enkele zinsnede) gesteld dat zij door het beslag niet in haar levensonderhoud kan voorzien, maar heeft dit niet concreet gemaakt. De verwijzing ter zitting naar een pak bankafschriften zonder arceringen en zonder een begeleidend overzicht van inkomsten en uitgaven, volstaat niet om haar financiële situatie inzichtelijk te maken. [Eiseres] heeft desgevraagd verklaard dat zo’n 30% van haar nettosalaris wordt ingehouden en dat zij kosten voor hypotheek en verzekeringen maakt, maar verdere lasten en verplichtingen zijn niet toegelicht. De ter zitting door [gedaagde] gemaakte berekeningen en de conclusie dat [eiseres] in de huidige situatie voldoende overhoudt om in haar levensonderhoud te voorzien, is niet weersproken. Daarbij begrijpt het Gerecht dat [eiseres] (in haar gedeelte van de woning) samenwoont met haar levenspartner, zodat ook diens financiële situatie van belang is maar zonder toelichting is gebleven. [Eiseres] heeft aldus onvoldoende aangevoerd om op die grond een belangenafweging alsnog tot opheffing van het beslag te laten leiden.
4.7 [
Eiseres] zal worden veroordeeld in de proceskosten aan de kant van [gedaagde]. Deze worden tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.000,- aan salaris van de gemachtigde.
4.8
Gelet op het overgelegde bewijs van onvermogen zal aan [gedaagde] toestemming worden verleend om kosteloos te procederen.

5.DE UITSPRAAK

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:
5.1
verleent [gedaagde] toestemming om kosteloos te procederen;
5.2
wijst af het gevorderde;
5.3
veroordeelt [eiseres] in de kosten van de procedure, die tot de datum van deze uitspraak aan de kant van [gedaagde] worden begroot op Afl. 1.000,-.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juni 2026, in aanwezigheid van de griffier.