Appellant, voormalig personeelsmedewerker bij de Dienst Openbare Werken, verzocht om toepassing van salarisindexeringen van juli 2024 en januari 2025 op zijn VUT-uitkering. Deze uitkering was toegekend na eervol ontslag per 1 november 2021. Verweerder wees het verzoek af omdat de indexeringen alleen gelden voor actief overheidspersoneel, niet voor VUT-gerechtigden.
Appellant stelde dat hij tijdens de VUT-periode nog ambtenaar was en pensioen opbouwde, wat volgens hem impliceert dat hij recht heeft op dezelfde indexeringen als ambtenaren. Het gerecht oordeelde dat de VUT-uitkering een zelfstandige uitkering is, vastgesteld op het laatstgenoten maandinkomen voorafgaand aan het ontslag, en niet als bezoldiging wordt beschouwd. De voortzetting van pensioenopbouw betekent niet dat de ambtenarenstatus behouden blijft.
Het gerecht concludeerde dat de Landsverordening vrijwillige uitdiensttreding (Lvut) geen grondslag biedt voor indexering van de VUT-uitkering. De beroepgronden van appellant faalden, en het beroep werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.