In de strafzaak tegen de verdachte, geboren in 1989 en thans gedetineerd in Aruba, heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba op 28 november 2025 uitspraak gedaan. De verdachte werd beschuldigd van het plegen van ontuchtige handelingen met zijn minderjarige stiefdochter, geboren in 2012, in de periode van 1 januari 2025 tot en met 3 april 2025. Tijdens de openbare terechtzitting op 7 november 2025 was de verdachte aanwezig, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D.M. Canwood, terwijl de benadeelde partij werd vertegenwoordigd door mr. D.G. Croes. De officier van justitie, mr. C.M.J.M. van Buul, eiste een gevangenisstraf van 48 maanden, maar de verdediging pleitte voor vrijspraak.
Het Gerecht concludeerde dat er onvoldoende wettig bewijs was om de verdachte te veroordelen. De verklaringen van het vermeende slachtoffer waren weliswaar gedetailleerd en consistent, maar er ontbrak steunbewijs uit andere bronnen. De verklaringen van getuigen waren niet voldoende om de aangifte te onderbouwen, aangezien deze voornamelijk gebaseerd waren op wat zij van het slachtoffer hadden vernomen. Het Gerecht benadrukte dat in zedenzaken, waar vaak slechts twee personen bij de vermeende handelingen aanwezig zijn, het bewijs niet uitsluitend op basis van één bron kan worden aangenomen.
Uiteindelijk werd de verdachte vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten, en werd de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. Het Gerecht gelastte tevens de teruggave van in beslag genomen voorwerpen aan de verdachte. Deze uitspraak werd gedaan door rechter mr. I.L. Gerrits, bijgestaan door mw. M.V. Alvarez als zittingsgriffier.