ECLI:NL:OGEAA:2025:350

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
AUA202402073
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 133 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering VVE tot betaling achterstallige bijdragen en incassokosten door appartementseigenaar

De Tierra del Sol Master Association (VVE) vordert van een appartementseigenaar betaling van achterstallige VVE-bijdragen, maintenance fees, boeterente en buitengerechtelijke incassokosten. De gedaagde erkent de hoofdsom maar betwist het openstaande saldo en voert verjaring aan voor een deel van de vorderingen.

Het gerecht oordeelt dat de hoofdsom gerechtelijk is erkend en dat verjaring niet is geslaagd. Betalingen zijn in mindering gebracht en de specificaties zijn voldoende duidelijk. De gedaagde voert onvoldoende onderbouwd verweer tegen de berekening van rente en boeterente, die worden toegewezen.

De buitengerechtelijke incassokosten worden door het gerecht gematigd tot 1,5 procespunt vanwege de lange incassoperiode en het gedrag van beide partijen. De maintenance fee over 2025 wordt toegewezen, maar niet voor toekomstige jaren. De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, rente, incassokosten, maintenance fee en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige VVE-bijdragen, boeterente, incassokosten en maintenance fee over 2025, met gedeeltelijke matiging incassokosten.

Uitspraak

Vonnis van 19 november 2025
Behorend bij AUA202402073 AR
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
de vereniging
TIERRA DEL SOL MASTER ASSOCIATION,
te Aruba,
eiseres, hierna ook te noemen: de VVE,
gemachtigde: mr. M.H.J. KOCK,
tegen:
[Gedaagde],
te Aruba,
gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. M.H.J. Kock

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek tevens akte vermindering/wijziging van eis;
- de conclusie van dupliek;
- de akte uitlating producties.
1.2
De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2.DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1 [
Gedaagde] is eigenaresse van een appartementsrecht in de VVE en daarom van rechtswege lid van de VVE. Zij is achterstallig met de op grond van de regelgeving binnen de VVE verschuldigde VVE-bijdragen.
2.2
Ten laste van [gedaagde] zijn door de VVE conservatoire beslagen gelegd.

3.DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1
Na eisvermindering vordert de VVE de door [gedaagde] aan haar per 1 januari 2025 verschuldigde bedragen. Zij verzoekt het Gerecht (verkort weergegeven) om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen USD 25.258,14, te vermeerderen met de wettelijke rente en de late fee. Ook vordert zij dat [gedaagde] wordt veroordeeld aan haar te betalen USD 2.346,00 aan maintenance fee per half jaar ingaande 1 juli 2025, althans het door de algemene vergadering van eigenaren bepaalde bedrag hiervoor. Verder vordert zij betaling van USD 11.544,45, althans een door het Gerecht te bepalen bedrag, aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2 [
Gedaagde] voert verweer.
3.4
Het gerecht zal op de standpunten van partijen, hierna waar nodig nader ingaan.

4.DE BEOORDELING

4.1
In de conclusie van antwoord wordt de oorspronkelijke hoofdsom (verzoekschrift: USD 57.772,25 per 1 april 2024) erkend. Wel moet er rekening worden gehouden met inmiddels gedane betalingen.
4.2
Bij repliek wordt ontvangst van USD 44.943,82 bevestigd. Rekening houdende met de inmiddels vervallen VVE-bijdragen bedraagt het totaal verschuldigde bedrag per 12 februari 2025 (datum indiening conclusie) USD 25.258,14.
4.3
Bij dupliek voert [gedaagde] een aantal verweren. In de eerste plaats dat een gedeelte van de vorderingen verjaard zijn. Dat verweer wordt verworpen. Bij antwoord immers heeft [gedaagde] de achterstand in betalingen onder het kopje “Erkenning van de hoofdsom met betwisting van het openstaande saldo” erkend. Dat is een gerechtelijke erkenning in de zin van artikel 133 Rv Pro waarop zij niet meer mag terugkomen. Bij antwoord stelt zij dat een grondige verificatie van de administratie van de VVE en de door gedaagde verrichte betalingen moet plaatsvinden en bij dupliek dat dit door een deskundige zou moeten worden onderzocht. Het gaat er dus om dat rekenkundig wordt bezien of de in rekening gebrachte en betaalde bedragen op elkaar aansluiten en zo niet, dan is dat een twistpunt dat moet worden beslecht door de rechter. Dus niet in discussie is de verschuldigdheid van de in rekening gebrachte VVE-bijdragen waarbij wordt opgemerkt dat bij verzoekschrift een gedetailleerde specificatie van de vordering in het geding is gebracht. Er is dus geen sprake van verjaring.
4.4
Op 7 maart 2025 heeft de VVE een tweetal bedragen ontvangen, zo wordt bij akte uitlating producties door haar bevestigd. Het gaat om Afl. 4.175,88 en Afl. 14.228,33. Dat eerste bedrag ziet volgens [gedaagde] op de lopende VVE-bijdragen voor de periode januari – juni 2025 en is op haar verzoek door de VVE daartegen weggeboekt. Het tweede bedrag moet inderdaad in mindering worden gebracht op de uitstaande schuld die daarmee wordt verminderd met USD 7.904,87 tot USD 17.353,27. [Gedaagde] plaatst nog vraagtekens of door de VVE wel rekening is gehouden met een bedrag van USD 3.933,08 dat zij in maart 2024 zou hebben betaald. Dat blijkt wel zo te zijn; in de specificatie van 12 februari 2024 wordt dit bedrag als ontvangen betaling geboekt. Het Gerecht moet dus toewijzen USD 17.353,27 aan hoofdsom, inclusief vervallen (boete)rente en, anders dan [gedaagde] meent, is het Gerecht van oordeel dat de in rekening gebrachte bedragen en de gedane betalingen voldoende duidelijk zijn. De andere betwistingen van [gedaagde] (die erop neerkomen dat zij niet begrijpt waarom het restant bedrag nog zo hoog is) zijn onvoldoende inhoudelijk dan wel worden verklaard door de rente, boeterente en buitengerechtelijke incassokosten waarop het Gerecht hierna ingaat.
4.5
Met het oordeel dat geen sprake is van verjaring geldt dat evenmin sprake kan zijn van verjaring van de “accessoire” deelvorderingen van rente, boeterentes en buitengerechtelijke incassokosten. Wat de rente betreft voert [gedaagde] aan dat deze niet goed zou zijn berekend. Maar [gedaagde] verstrekt geen berekening wat dan wel het correcte rentebedrag zou zijn terwijl zij dat gemakkelijk zou kunnen doen aan de hand van de specificaties die de VVE heeft verschaft. Daarmee is dit verweer onvoldoende onderbouwd en gaat het Gerecht eraan voorbij. Tegen de boeterente wordt geen verweer gevoerd zodat deze wordt toegewezen.
4.6
De VVE vordert USD 11.554,45 aan buitengerechtelijke incassokosten. Zij onderbouwt dat door te zeggen dat zij 15 jaar lang veel werk heeft gehad aan het incasseren van de bijdragen omdat [gedaagde] volstrekt weigerachtig was deze te betalen. Ook wijst zij erop dat de buitengerechtelijke incassokosten in haar regelgeving, waaraan [gedaagde] als appartementseigenaar ook aan is gebonden, zijn overeengekomen. [Gedaagde] vindt de buitengerechtelijke incassokosten excessief. Op dit punt is het Gerecht het met [gedaagde] eens. Dat de incassokosten zo hoog zijn komt natuurlijk ook door [gedaagde] die gewoon op tijd haar bijdragen moet betalen maar dat halsstarrig niet heeft gedaan. Maar het wordt ook veroorzaakt door de VVE die al die jaren lang maar brieven blijft sturen en pas na 15 jaar naar de rechter stapt. Het Gerecht zal daarom aansluiting zoeken bij het eigen Procesreglement en 1,5 procespunt aan buitengerechtelijke incassokosten toewijzen. Voor het daarmee corresponderende bedrag zijn de nodige werkzaamheden verricht zo blijkt uit de bijlagen bij de processtukken van de VVE. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt niet toegewezen omdat niet door de VVE is gesteld dat deze zijn betaald aan haar gemachtigden. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen met ingang van 14 dagen na dit vonnis.
4.7
Tegen de veroordeling voor de te vervallen termijnen wordt geen verweer gevoerd. Daarom zal het Gerecht deze, nu niet meer zo “toekomstige”, vordering ook toewijzen nu deze niet onrechtmatig of ongegrond blijkt, maar uitsluitend voor het jaar 2025. Een langere periode niet omdat het Gerecht niet in de toekomst kan kijken. Wellicht worden de bijdragen bijgesteld of zijn er in de toekomst andere omstandigheden of verweren waarmee de rechter rekening behoort te kunnen houden.
4.8
Als overwegend in het ongelijk gestelde partij wordt [gedaagde] in de proceskosten (inclusief de beslagkosten) veroordeeld. Daarbij geldt dat het Gerecht een lager griffierecht aan haar zal toewijzen omdat de buitengerechtelijke incassokosten maar deels worden toegewezen en dat weegt door in de hoogte van het griffierecht. Niet overigens in het toe te passen liquidatietarief. Dat blijft tarief 7.

5.DE UITSPRAAK

Het gerecht:
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan de VVE van USD 17.353,27, te verhogen met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2024 tot aan de dag van algehele betaling, vermeerderd telkens per half jaar met een late fee van USD 100,00 dat [gedaagde] in gebreke blijft met betaling en een bedrag aan Afl. 3.000,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 dagen na heden tot aan de dag van algehele betaling,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan de VVE van USD 2.346,00 aan maintenance fee per half jaar ingaande 1 juli 2025, althans het door de algemene vergadering van eigenaren bepaalde bedrag hiervoor, over het jaar 2025,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten (inclusief beslagkosten), aan de zijde van de VVE begroot op Afl. 860,00 aan (verminderd) griffierecht, Afl. 1.233,70 aan explootkosten en op Afl. 6.000,00 aan salaris gemachtigde,
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.