ECLI:NL:OGEAA:2025:347

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
AUA202303117
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:408 BWArt. 7:411 BWArt. 6:265 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling opzegging en loonvordering bij appontwikkelingsovereenkomst na rebranding

De zaak betreft een geschil tussen Tourism Corporation Bonaire N.V. (TCB) en Dot1 Technologies V.B.A. over de ontwikkeling van een app en de beëindiging van hun overeenkomst.

Na een tussenvonnis vond een comparitie plaats waarbij werd vastgesteld dat Dot1 de app had ontwikkeld en geschikt had gemaakt voor opname in de appstores, maar dat TCB verantwoordelijk was voor de registratie. Door een directiewisseling en beleidswijziging bij TCB ontstond onduidelijkheid en vertraging in de communicatie en registratie, wat leidde tot wantrouwen en verzuim in het tonen van het resultaat door Dot1.

Het gerecht oordeelt dat het verzuim van Dot1 niet ernstig genoeg is om de overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. De brief van 26 februari 2023 wordt gezien als een opzegging door TCB, waardoor de overeenkomst eindigt. Dot1 heeft recht op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon, waarbij rekening wordt gehouden met het verzuim.

De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor nadere specificatie van de tijdsbesteding en loonvaststelling, waarna verdere beslissing volgt.

Uitkomst: De overeenkomst is beëindigd door opzegging en Dot1 heeft recht op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon.

Uitspraak

Vonnis van 19 november 2025
Behorend bij A.R. AUA202303117
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
TOURISM COPORATION BONAIRE N.V.,
te Aruba,
eiseres, hierna ook te noemen: TCB,
gemachtigde: mrs. A.T.C. NICOLAAS en E.E. ROSENSTAND,
tegen:
DOT1 TECHNOLOGIES V.B.A.,
te Aruba,
gedaagde, hierna ook te noemen: Dot1,
gemachtigde: mr. S.A. KOCK.

1.HET VERDERE VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1
Na het tussenvonnis van 27 augustus 2025 heeft de daarin aangekondigde comparitie van partijen plaatsgevonden op 5 november 2025 in aanwezigheid van vertegenwoordigers van partijen en de hiervoor genoemde advocaten.
1.2
Na afloop van de zitting is vonnis bepaald.

2.DE VERDERE BEOORDELING

2.1
Alles wat in het tussenvonnis is overwogen geldt als hier letterlijk herhaald en ingelast.
2.2
De beantwoording van de in het tussenvonnis onder 4.10 gestelde vragen komt op het volgende neer:
de app zowel als de screencast zijn op de comparitie getoond. De app is af volgens Dot1, maar het wachten was op de opname van de app in de appstore van Apple en Google. Dan kon de app worden gevuld door TCB met content, getest, gestyled, aangepast en vervolgens operationeel worden gemaakt. De goedkeuring van Apple moet door TCB worden geregeld omdat het haar app is en omdat die op haar naam in de appstore moet worden geregistreerd. Volgens Dot1 heeft TCB op of na 20 mei 2020 de app gezien; haar directeur [directeur van TCB] had toen een skypebijeenkomst met twee van haar vertegenwoordigers en toonde de app. Dat betwist TCB die ook zegt dat zij de toestemming van de Google app store allang had geregeld maar dat Dot1 daar niets mee deed. Daarvan zegt Dot1 weer dat TCB haar nooit hierover heeft geïnformeerd. TCB, verwijzende naar de door haar niet ontvangen e-mails van 9 en 14 november 2022 van Dot 1 (die zij opmerkelijk genoeg naar een ander dan het vertrouwde mailadres zond) denkt dat Dot1, geconfronteerd met de buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst door TCB, snel de app in elkaar heeft gezet zodat zij recht zou blijven houden op de overeengekomen vergoeding;
er is geen link;
in de periode van november 2021 – oktober 2022 was er sprake van een directiewisseling bij TCB en een beleidsverandering. Toen werd namelijk besloten om te gaan rebranden; de ontwikkeling van een nieuwe website die ook op mobiele telefoons zou kunnen worden geraadpleegd. Daarmee werd de opdrachtverlening aan Dot1 eigenlijk overbodig. Later kwam een medewerker van TCB erachter dat voor de appontwikkeling een flink bedrag was betaald en toen heeft einde oktober 2022 op initiatief van TCB weer contact tussen partijen plaatsgevonden;
Dot1 stelt dat zij zat te wachten op de registratie van de apps in de beide appstores maar dat die bevestiging niet afkwam. Zij heeft daarover inderdaad niet gerappelleerd omdat zij dat in een dergelijk geval nooit doet;
zie antwoord onder 3. Er is gewoonweg niet over nagedacht, vanwege de directiewisseling, dat er nog een opdracht voor de ontwikkeling van de app bij Dot 1 liep.
2.3
Het Gerecht overweegt dat niet wordt betwist dat Dot1 werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de ontwikkeling van de app. Ook blijkt uit de mailwisseling die in het tussenvonnis is aangehaald dat Dot1 in afwachting was van informatie van TCB; vooral de registratie van de app in de beide appstores. Wat Apple betreft is dit nooit gelukt en wat Google betreft stelt TCB dat zij dat wel voor elkaar heeft gekregen maar uit de mailwisseling blijkt niet dat zij dit ook heeft doorgegeven aan Dot1. Mogelijk heeft dat te maken met de directiewisseling waardoor en waarna de focus verschoof naar de rebranding. Naar het oordeel van het Gerecht heeft Dot1 voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de app zodanig heeft ontwikkeld dat deze geschikt was voor opname in de beide app stores. Dat blijkt ook uit de omstandigheid, die blijkt uit de in het tussenvonnis aangehaalde e-mails, dat TCB heeft geprobeerd om de apps daar te registreren voor de doorontwikkeling. De betwisting van TCB dat zij de app voordien nooit heeft gezien wordt hiermee gerelativeerd want waarom zou zij anders gaan proberen de app te laten registreren? In elk geval moet TCB toen voldoende vertrouwen hebben gekregen dat Dot1 werkzaamheden aan de app had verricht die het mogelijk maakte naar een nieuwe fase te gaan, te weten registratie in de appstores.
2.4
Dot1 neemt geen contact meer op met TCB. Dot1, die meer klanten zal hebben, laat het er dan ook bij zitten. Wat haar betreft is het wachten op TCB die de registratie van de apps moet regelen. Dat kan zij als ontwikkelaar niet zelf want dat moet de eigenaar van de app doen. Dat laatste werd door TCB op de zitting betwist maar aan die betwisting gaat het Gerecht voorbij omdat zij dat alleen maar stelt zonder het zelf te hebben uitgezocht terwijl dat natuurlijk wel had gekund door dit bij deze stores uit te zoeken via internet of bij hen na te vragen.
2.5
Eind oktober 2022, TCB beschikt inmiddels over haar gerebrande website, realiseert zij zich opeens dat er nog een opdracht liep en ging zij uitzoeken hoe het daarmee zat. Zie wederom het overzicht van de mailcommunicatie als vermeld in het tussenvonnis. Na een bespreking op 31 oktober 2022 gaat het fout in de communicatie. Dot1 gebruikt een ander mailadres om op 1 en 16 november 2022 de screencast (zeg maar een filmpje waarop wordt gedemonstreerd hoe de app eruit ziet en wat de gebruiker ermee kan) aan TCB op te sturen. Dat leidt tot, wel te begrijpen, wantrouwen van TCB. En het desgevraagd niet tijdig toezenden van de app levert, zoals in het tussenvonnis is geoordeeld, verzuim op in de verbintenis van Dot1 om aan TCB het resultaat van haar werkzaamheden te tonen want daar had TCB als opdrachtgever recht op.
2.6
Artikel 6:265 BW Pro geeft TCB de bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden als sprake is van een tekortkoming in de nakoming, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of betekenis deze ontbinding niet rechtvaardigt. Tegen de achtergrond van wat in dit vonnis is overwogen oordeelt het Gerecht dat het gebrek in de nakoming (het niet tijdig voldoen door Dot1 aan het verzoek het resultaat van haar werkzaamheden te tonen) echter niet van voldoende betekenis is om de ontbinding te rechtvaardigen. Meer specifiek: duidelijk is dat Dot1 de nodige werkzaamheden heeft verricht, het aan TCB was de registratie bij de app stores te regelen wat aan Dot1 bij succes had moeten worden doorgegeven maar niet is gebeurd en de keuze van TCB om de weg van rebranding in te slaan zonder rekening te houden met de opdrachtverlening aan Dot1. Daarbij acht het Gerecht minder van belang of en wanneer Dot1 de app voor het eerst toonde, zoals in de laatste volzin van 2.3 uitgelegd.
2.7
Gelet op wat hiervoor is overwogen en de waarnemingen van het Gerecht op de zitting over hoe de app eruit ziet komt het Gerecht tot het oordeel dat de buitengerechtelijke ontbinding geen doel treft. Dat betekent in principe dat de overeenkomst voortduurt en dat partijen deze nog moeten nakomen. Echter, duidelijk is dat TCB niet verder wil met de samenwerking en dat deze overeenkomst ook geen enkel doel meer dient omdat TCB inmiddels een goed werkende website heeft. Het Gerecht merkt daarom de brief van 26 februari 2023 aan als een opzegging door de opdrachtgever in de zin van artikel 7:408 BW Pro. Dat betekent dat de overeenkomst tussen partijen door die opzegging tot een einde is gekomen. Artikel 7:411 BW Pro bepaalt dat in dat geval de opdrachtnemer recht heeft op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Het Gerecht oordeelt dat Dot1 geen recht heeft op het volledig overeengekomen loon vanwege haar verzuim tijdig na oktober 2022 de app aan TCB te tonen.
2.8
Het Gerecht verwijst de zaak naar de rolzitting. Dot1 moet gespecificeerd opgeven hoeveel tijd het maken van een dergelijke app kost, hoeveel tijd zij reeds heeft besteed en hoeveel tijd zij zich mogelijk bespaard door de app niet af te hoeven maken. Daarop mag TCB reageren. Daarna zal het Gerecht het redelijk loon vaststellen.
2.9
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.DE BESLISSING

Het Gerecht:
verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 17 december 2026 voor conclusie na tussenvonnis van Dot1 (P1),
bepaalt dat TCB daarna een antwoordconclusie na tussenvonnis mag indienen (P2),
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.