Uitspraak
1.DE PROCEDURE
2.DE BEOORDELING
[verkoper]met als omschrijving
“verk. [adres 2]”,
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
In deze zaak vordert eiseres de opheffing van het conservatoir maritaal beslag dat gedaagde heeft gelegd op de woning aan een adres te Aruba. Dit betreft dezelfde vordering als in een eerder kort geding, waarin de vordering werd afgewezen en waarvan de overwegingen integraal zijn herhaald. De woning valt in een gemeenschap tussen eiseres en een minderjarige, maar de minderjarige is niet betrokken in deze procedure.
De kern van het geschil betreft de vraag of de koopovereenkomst van de woning is gesloten vóór of na de ontbinding van het huwelijk tussen erflater en gedaagde. Dit is relevant voor de vraag of het beslag rechtmatig is. Eiseres stelt dat de koopovereenkomst in 2018 is gesloten, na ontbinding van het huwelijk, terwijl gedaagde stelt dat dit in 2017 was. Beide partijen overleggen verschillende documenten ter onderbouwing, maar het Gerecht oordeelt dat onvoldoende is aangetoond dat het standpunt van gedaagde evident onjuist is.
Eiseres brengt een nieuw argument in met banktransacties uit 2018, maar deze worden betwist en onvoldoende overtuigend geacht. Ook ontbreekt een verklaring van de verkoper over de datum van de koopovereenkomst. De belangenafweging weegt mee dat eiseres reeds een deel van de achterstand heeft betaald en over voldoende middelen beschikt, maar dat gedaagde een zwaarwegend belang heeft bij het behoud van het beslag als zekerheid voor haar mogelijke aanspraken uit de ontbonden gemeenschap.
Het Gerecht concludeert dat de vordering tot opheffing van het beslag niet kan worden toegewezen en veroordeelt eiseres in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van het conservatoir maritaal beslag op de woning wordt afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.