Appellante, een naamloze vennootschap gevestigd in Aruba, had beroep ingesteld tegen een beslissing van de minister van Algemene Zaken, Innovatie, Overheidsorganisatie, Infrastructuur en Ruimtelijke Ordening. Het beroep betrof de (fictieve) afwijzing van haar aanvraag om een precariovergunning. De behandeling van het beroep stond gepland op 20 augustus 2025.
Op 19 augustus 2025 trok appellante haar beroep in. Op dezelfde dag verzocht de minister om appellante te veroordelen in de door haar gemaakte proceskosten. De rechter overwoog dat noch de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar), noch de jurisprudentie een grondslag biedt voor een dergelijke proceskostenveroordeling na intrekking van het beroep.
Daarom wees de rechter het verzoek van de minister af. De uitspraak werd gedaan op 25 augustus 2025 door rechter W.C.E. Winfield tijdens een openbare terechtzitting. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep binnen zes weken bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.