Appellante, van Venezolaanse nationaliteit, kwam als toerist naar Aruba en diende later een asielaanvraag in. Op 10 januari 2021 werd zij tijdens een controle aangehouden en werd een beschikking tot ophouding uitgevaardigd. Appellante maakte bezwaar tegen deze beschikking en stelde beroep in wegens het uitblijven van een beslissing op het bezwaar.
Het gerecht stelde vast dat de wettelijke bepalingen waarop verweerder zich baseerde geen uitdrukkelijke grondslag bieden voor het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel via landsbesluit. Gezien het ingrijpende karakter van de ophouding en de strikte waarborgen die de wetgever aan een inbewaringstelling verbindt, oordeelde het gerecht dat artikel 19d van het Toelatingsbesluit 2009 onverbindend is wegens strijd met de Landsverordening toelating en verblijf (Ltu).
Daarom werd de beschikking tot ophouding vernietigd en herroepen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van Afl. 2.480,- voor de onrechtmatige vrijheidsberoving en tot vergoeding van proceskosten van Afl. 1.400,-. Het griffierecht van Afl. 25,- werd aan appellante terugbetaald. De uitspraak werd gedaan door rechter W.C.E. Winfield op 14 maart 2022.