Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
[de minderjarige](hierna de minderjarige),
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
De minderjarige, geboren in 2005 in Haïti, verblijft sinds 2014 zonder geldige verblijfsvergunning op Aruba. Verzoekster, de wettelijke vertegenwoordiger, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning tot tijdelijk verblijf met als doel een bijzondere band met Aruba. Deze aanvraag werd bij beschikking van 27 augustus 2021 afgewezen.
Verzoekster maakte bezwaar en verzocht vervolgens op 7 september 2021 het gerecht om een voorlopige voorziening te treffen, zodat de minderjarige behandeld zou worden alsof zij een verblijfsvergunning bezit totdat op het bezwaar is beslist. Het gerecht behandelde de zaak op 22 september 2021.
De rechter oordeelde dat er geen voldoende spoedeisend belang is voor het treffen van een voorlopige voorziening. Hoewel de minderjarige psychologische druk ervaart vanwege haar onzekere verblijfsstatus en naar school gaat, is zij niet met uitzetting bedreigd en is er geen nijpende situatie die onmiddellijke schorsing van de beschikking rechtvaardigt.
Daarom werd het verzoek afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.