ECLI:NL:OGEAA:2020:394
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gerecht verklaart zich onbevoegd in interregionaal familierechtelijk geschil over verblijfplaats minderjarige
In deze zaak verzocht de vader het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba om een beslissing te nemen over een familierechtelijk geschil betreffende zijn minderjarige kind. De moeder was met het kind op 11 juni 2020 naar Nederland vertrokken, waarna hun verblijfplaats onbekend bleef.
Het gerecht onderzocht of het bevoegd was de zaak te behandelen, waarbij het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 en het interregionaal privaatrecht van Aruba als maatstaf werden genomen. Volgens dit verdrag is de rechter van de staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft bevoegd. Gezien de verhuizing en het feit dat de moeder het eenhoofdig gezag heeft, werd aangenomen dat de gewone verblijfplaats van het kind sinds 11 juni 2020 in Nederland is.
Hoewel het perpetuatio fori-beginsel normaal gesproken bepaalt dat de rechter die in eerste aanleg is ingeschakeld bevoegd blijft, geldt hier een uitzondering op grond van het verdrag. De situatie waarin de vader door de verhuizing mogelijk beperkt wordt in zijn omgangsrecht, rechtvaardigt geen afwijking van de bevoegdheidsregels.
Het gerecht verklaarde zich daarom onbevoegd en compenseerde de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het gerecht verklaart zich onbevoegd omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige sinds 11 juni 2020 in Nederland is.