ECLI:NL:OGEAA:2019:73

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
12 februari 2019
Publicatiedatum
15 februari 2019
Zaaknummer
AUA201802641
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • N.K. Engelbrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:227 BW ArubaArt. 1:228 BW ArubaArt. 8 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing adoptieverzoek meerderjarige wegens niet voldoen aan minderjarigheidsvereiste

Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot adoptie van een inmiddels 37-jarige belanghebbende. Volgens artikel 1:228 lid 1 sub a van Pro het Burgerlijk Wetboek van Aruba is adoptie alleen mogelijk indien het kind op het moment van het verzoek minderjarig is. De belanghebbende was op dat moment meerderjarig, waardoor niet aan deze voorwaarde werd voldaan.

Verzoekster stelde dat het recht op family life, zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro, een uitzondering zou moeten maken op de nationale regelgeving. Zij voerde aan dat de belanghebbende sinds haar babyleeftijd bij haar woonde, door haar werd verzorgd en opgevoed, en dat er sprake is van een duurzame, familiale relatie. Tevens is verzoekster voogd van de belanghebbende en leeft de belanghebbende met haar minderjarige zoon bij verzoekster.

Het gerecht oordeelde dat het EVRM geen recht op adoptie garandeert en dat het niet voldoen aan de nationale minderjarigheidsvoorwaarde in principe geen ongeoorloofde inmenging in artikel 8 EVRM Pro inhoudt. Er moeten zeer bijzondere omstandigheden zijn om hiervan af te wijken, welke in deze zaak niet zijn aangetoond. De door verzoekster aangevoerde omstandigheden, waaronder de veronderstelling dat adoptie reeds had plaatsgevonden en de emotionele band, waren onvoldoende om de wettelijke voorwaarde te negeren.

Daarom werd het adoptieverzoek afgewezen. Het gerecht achtte de emotionele en familiale band begrijpelijk, maar onvoldoende om de wettelijke regels te doorbreken. De weigering van adoptie levert geen onrechtmatige inmenging op het gezinsleven op die een uitzondering op de wet rechtvaardigt.

Uitkomst: Het verzoek tot adoptie van de meerderjarige belanghebbende is afgewezen wegens niet voldoen aan de minderjarigheidsvoorwaarde.

Uitspraak

Beschikking van 12 februari 2019
behorend bij EJ. nr. AUA201802641
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
op het verzoek van:
[naam verzoekster],
wonende in Aruba,
VERZOEKSTER,
gemachtigde:de advocaat mr. M.M. Malmberg
Belanghebbende:
[naam belanghebbende],
wonende in Aruba.

1.HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar de beschikking van dit gerecht van 20 november 2018, en de daarin genoemde stukken.
De uitspraak op het verzoek om adoptie is bepaald op heden.

2.DE VERDERE BEOORDELING

2.1
Ter beoordeling ligt voor de vraag of het verzoek van verzoekster om [naam belanghebbende] (hierna: de belanghebbende) te adopteren, kan worden toegewezen.
2.2
Voor zover hier van belang bepaalt artikel 1:227, lid 3 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (hierna: BW) dat een verzoek tot adoptie alleen wordt toegewezen, indien aan de voorwaarden in artikel 228 gesteld Pro, wordt voldaan. Ingevolge artikel 1:228 lid 1 sub a BW Pro is een voorwaarde voor adoptie onder meer dat het kind op de dag van het verzoek minderjarig is.
2.3
De inmiddels 37-jarige belanghebbende was op de dag van de indiening van het verzoekschrift al jaren meerderjarig, zodat niet is voldaan aan de gestelde voorwaarde van minderjarigheid. Hieruit volgt dat adoptie door verzoekster op grond van nationale regelgeving niet mogelijk is.
2.4
Door de verzoekster is gesteld dat het feit dat de belanghebbende meerderjarig is, niet in de weg staat aan de adoptie. Zij verwijst in dit kader naar het recht op family life, zoals vastgelegd in artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna te noemen: EVRM). Verzoekster heeft aangevoerd dat de belanghebbende vanaf toen zij 4 maanden oud was, bij haar (en haar gezin) heeft gewoond en door haar is verzorgd en opgevoed. Verzoekster is bij beschikking van dit gerecht van 16 augustus 1984 benoemd als voogd van de belanghebbende, en verkeerde jarenlang in de veronderstelling dat zij hierbij tevens de belanghebbende had geadopteerd. De belanghebbende is verstandelijk gehandicapt en woont nu met haar minderjarige zoon bij verzoekster. Zij is niet in staat om zelfstandig te wonen en voor zichzelf of voor haar zoon te zorgen, aldus verzoekster. Er is sprake van een duurzame relatie in de zin van family life tussen verzoekster en de belanghebbende. Ter zitting heeft verzoekster aangevoerd dat zij mede om emotionele redenen wenst dat de feitelijke en juridische gezinssituatie met elkaar in overeenstemming worden gebracht.
2.5
Het gerecht overweegt als volgt.
2.5.1
Voorop wordt gesteld dat volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens door het EVRM niet het recht op adoptie wordt gegarandeerd.
Het feit dat adoptie niet mogelijk is zonder dat wordt voldaan aan de voorwaarden die de nationale wet aan adoptie stelt, kan in beginsel niet worden aangemerkt als een ongeoorloofde inmenging in de zin van art. 8 EVRM Pro (zie HR 30 juni 2000, LJN: AA6339; HR 24 september 2004, LJN: AP1439, NJ 2005/16). Het enkele feit dat door de weigering van de adoptie een feitelijk gezinsverband niet wordt omgezet in een juridisch familieverband levert derhalve geen inbreuk op art. 8 EVRM Pro op. In de jurisprudentie is aanvaard dat onder omstandigheden de weigering om een adoptie toe te staan wel een inbreuk op artikel 8 EVRM Pro met zich kan brengen. In dat geval dient sprake te zijn van zeer bijzondere omstandigheden die een terzijdestelling van de nationale en dwingendrechtelijke bepaling van artikel 1:228, eerste lid, aanhef en onder a BW rechtvaardigen.
2.5.2
Het gerecht is van oordeel dat niet is gebleken dat het voor verzoekster niet eerder mogelijk is geweest een verzoek tot adoptie in te dienen. De door verzoekster aangevoerde reden, dat zij jarenlang in de veronderstelling verkeerde dat zij de belanghebbende bij de beschikking van 16 augustus 1984 heeft geadopteerd en dat zij pas bij haar verhuizing van Nederland naar Aruba in 2015 erachter is gekomen dat zij de belanghebbende niet had geadopteerd, is daartoe onvoldoende. Daarbij weegt mee dat de term adoptie in bedoelde beschikking nergens voorkomt en dat de geslachtsnaam van de belanghebbende nimmer is veranderd in die van verzoekster of van haar toenmalige echtgenoot.
2.5.3
Uit de ingediende stukken en de verklaringen ter zitting is gebleken dat tussen verzoekster en belanghebbende sprake is van een hechte, warme band. Zij voelen zich familie van elkaar en zij zien elkaar als moeder en dochter. Het gerecht overweegt dat daarmee echter nog geen sprake is van een zeer bijzondere omstandigheid op grond waarvan artikel 1:228, lid 1 onder a BW, dient te worden uitgesloten.
2.5.4
Hoewel het gerecht de achterliggende emoties en de wens van verzoekster en de belanghebbende begrijpelijk acht, hebben zij niet aangetoond welke gevolgen de weigering van de adoptie voor hun bestaande gezinsleven heeft zodat er sprake zou zijn van een ongeoorloofde inmenging als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro, die terzijdestelling van de nationale en dwingendrechtelijke bepaling van artikel 1:228, eerste lid, aanhef en onder a BW, zou rechtvaardigen.
2.6
Gelet op het bovenstaande zal het verzoek van verzoekster tot adoptie van de belanghebbende dan ook worden afgewezen.

3.DE BESLISSING

Het gerecht:
wijst het verzoek tot adoptie van [naam belanghebbende] door [verzoekster], af.
Deze beschikking is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, ter zitting van 12 februari 2019 in aanwezigheid van de griffier.