ECLI:NL:OGEAA:2018:719

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
19 november 2018
Publicatiedatum
10 december 2018
Zaaknummer
AUA201703565
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.K. Engelbrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 87 LmaArt. 82 Lma
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling schorsing ambtenaar wegens concrete verdenking ernstig plichtsverzuim

Klaagster, een ambtenaar, is geschorst op grond van een concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim, namelijk frauduleuze handelingen bij het Hulpbestuurskantoor te San Nicolas en Noord. De schorsing is opgelegd door verweerder met toepassing van artikel 87 sub c van Pro de Landsverordening materieel ambtenarenrecht.

Klaagster maakte bezwaar tegen de schorsing en stelde dat zij onterecht voor een onbeperkte periode werd geschorst, in strijd met het motiveringsbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel en fair play. Zij ontkende het plichtsverzuim en wees op de lange duur van het onderzoek.

Het gerecht overwoog dat het bevoegde gezag een ordemaatregel kan treffen bij een concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim, zeker als het vertrouwen in de ambtenaar is geschaad. De verdenking was voldoende concreet omschreven in het schorsingsbesluit. De schorsing werd als redelijk en dienstbelang dienend beoordeeld.

Het gerecht benadrukte dat de schorsing niet langer mag duren dan noodzakelijk en dat voortvarendheid bij het disciplinaire onderzoek vereist is. Nu het onderzoek ruim elf maanden duurde, moet verweerder spoedig een beslissing nemen over disciplinaire maatregelen.

De conclusie was dat het bezwaar ongegrond is en dat er geen aanleiding is voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de schorsing wegens concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Uitspraak van 19 november 2018
AUA201703565

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK
op het bezwaar in de zin van
de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[klaagster],

wonend te Aruba,
KLAAGSTER,
gemachtigde: mr. E. Duijneveld,
tegen:

de Gouverneur van Aruba,

zetelend te Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. M. Jansen (DWJZ).

PROCESVERLOOP

Bij Landsbesluit van 11 december 2017 no. 22, heeft verweerder klaagster met toepassing van artikel 87 sub c van Pro de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) met ingang van de dag na dagtekening van dit Landsbesluit in haar ambt geschorst, tot op de dag waarop het bevoegd gezag een besluit heeft genomen omtrent de disciplinaire strafoplegging.
Tegen dit Landsbesluit (hierna: de bestreden beschikking) heeft klaagster op 27 december 2017 bezwaar gemaakt bij het gerecht.
De zaak is behandeld ter zitting van 8 oktober 2018, alwaar is verschenen verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd. Klaagster is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1. Klaagster kan zich niet verenigen met de haar opgelegde schorsing en stelt zich daarbij - samengevat - op het standpunt dat het in strijd is met het motiveringsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van fair play, dat zij voor een onbeperkte periode wordt geschorst. Ter onderbouwing hiervan heeft zij aangevoerd dat zij zich niet heeft schuldig gemaakt aan hetgeen haar in de bestreden beschikking wordt verweten, dat er van plichtsverzuim geen sprake is en dat verweerder ruimschoots de tijd heeft gehad om een gedegen onderzoek te doen en al dan niet over te gaan tot het opleggen van een disciplinaire maatregel.
2. In geschil is de vraag of verweerder op goede grond heeft besloten klaagster te schorsen.
De in de bestreden beschikking vervatte schorsing is gebaseerd op artikel 87, aanhef en onder c van de Lma. Volgens deze bepaling kan, onverminderd het bepaalde in artikel 82 van Pro de Lma, de ambtenaar door het bevoegde gezag worden geschorst in zijn ambt wanneer, naar het oordeel van het bevoegde gezag, het belang van de dienst dat vordert. Het gaat hier derhalve om de bevoegdheid van het bevoegde gezag om een ordemaatregel te treffen.
3. Naar vaste jurisprudentie vindt het bevoegde gezag in een hem bekend geworden concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim in het algemeen voldoende grond voor het treffen van een ordemaatregel, als aan de integriteit van de betrokken ambtenaar moet worden getwijfeld en het in hem te stellen vertrouwen zozeer is geschaad dat niet aanvaardbaar is dat hij zijn werk blijft doen (vgl. Centrale Raad van Beroep 7 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3512).
4. Wat betreft de vraag of in dit geval voldoende grond voor het treffen van een ordemaatregel bestond, overweegt de ambtenarenrechter dat het vermoeden van het door verzoeker gepleegde plichtsverzuim, voldoende concreet in het schorsingsbesluit staat omschreven, namelijk dat klaagster zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – frauduleuze handelingen bij het Hulpbestuurskantoor te San Nicolas en te Noord, waarbij zij met accountnummers dan wel perceelnummers dan wel rekeningen en geld c.q. betalingen van klanten heeft gesjoemeld.
5. Naar het oordeel van het gerecht gaat het in dit geval om een concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim, zodat schorsing gedurende het disciplinaire onderzoek in redelijkheid in het belang van de dienst kan worden geacht.
6. Ten overvloede merkt het gerecht op dat het rechtszekerheidsbeginsel met zich brengt dat een schorsing niet langer duurt dan noodzakelijk en dat in dat verband door verweerder voortvarendheid dient te worden betracht bij de uitvoering van het disciplinaire onderzoek. Nu het onderzoek al ruim elf maanden loopt, mag verwacht worden dat verweerder binnen afzienbare tijd een beslissing over het opleggen van een disciplinaire straf neemt.
7. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bezwaar ongegrond is. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat gelet hierop geen aanleiding.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:
verklaart het bezwaar ongegrond.
Aldus gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in ambtenarenzaken, en in het openbaar uitgesproken ter zitting van maandag, 19 november 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:
  • Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: Binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak;
  • In de andere gevallen: Binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.
Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij:
De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken
J.G. Emanstraat 51
Oranjestad
Aruba
U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,
b. de datum van ondertekening,
c. waartegen u in hoger beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.