ECLI:NL:OGEAA:2017:845

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
23 oktober 2017
Publicatiedatum
6 november 2017
Zaaknummer
Aua201701170
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 LarArt. 32 LarArt. 4 RetributieverordeningArt. 17-20 Algemene landsverordening belastingenArt. 53a Lar
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerecht verklaart zich onbevoegd tegen uitblijven beslissing bezwaar precariofactuur

Appellante, Coöperatieve Vereniging LA QUINTA 1, maakte bezwaar tegen een factuur van de Minister van Infrastructuur, Ruimtelijke Ordening en Integratie waarin precariokosten werden opgelegd. Na het uitblijven van een beslissing op dit bezwaar, stelde appellante beroep in bij het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba.

Het gerecht oordeelde dat het onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep voor zover dit gericht is tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar, omdat de belastingrechter daarvoor bevoegd is. Dit volgt uit eerdere uitspraken en de toepasselijke regelgeving. Het gerecht zal het beroepschrift daarom aan de belastingrechter doorzenden.

Voor zover het beroep gericht is tegen de brief waarin de vergunning werd geweigerd bij niet-betaling van de factuur, oordeelde het gerecht dat appellante tijdig beroep heeft ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar. Omdat geen verweer is gevoerd en er nog geen reële beslissing is genomen, kan de fictieve afwijzing van het bezwaar niet in stand blijven. Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt verplicht binnen drie maanden een reële beslissing te nemen.

Daarnaast veroordeelde het gerecht verweerder tot betaling van de proceskosten van appellante en terugbetaling van het griffierecht. De uitspraak werd gedaan door rechter D.J. Jansen op 23 oktober 2017.

Uitkomst: Gerecht verklaart zich onbevoegd voor beroep tegen uitblijven beslissing bezwaar en beveelt binnen drie maanden een reële beslissing te nemen.

Uitspraak

Uitspraak van 23 oktober 2017
Aua201701170
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
Coöperatieve Vereniging LA QUINTA 1,
gevestigd in Aruba,
APPELLANTE,
gemachtigde: de advocaat mr. P.R.C. Brown,
gericht tegen:
De Minister van Infrastructuur, Ruimtelijke Ordening en Integratie,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER.

1.PROCESVERLOOP

Bij brief van 30 januari 2017 heeft verweerder, appellante bericht dat de verzochte precariovergunning verleend kan worden na de betaling van een factuur (factuurdatum 16 januari 2017) ten bedrage van Afl. 40.519 waaronder een bedrag van Afl. 40.500 aan precariokosten. De factuur is bij de brief gevoegd.
Daartegen heeft appellante op 1 februari 2017 bezwaar gemaakt.
Tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar heeft appellante op 21 juni 2017 beroep ingesteld bij dit gerecht.
Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.
Uitspraak is bepaald op heden.

2.OVERWEGINGEN

2.1
Voor zover het beroep gericht is tegen de factuur van 16 januari 2017 waarbij precariokosten in rekening worden gebracht overweegt het gerecht als volgt. In de uitspraken van 28 augustus 2017 waaronder ECLI:NL:OGEAA:2017:674 en 675 heeft de belastingrechter zich bevoegd geacht kennis te nemen van beroepen inzake facturen, waarbij precario in rekening wordt gebracht. Daartoe heeft de belastingrechter overwogen dat artikel 4, tweede lid, van de Retributieverordening vanaf 1 maart 2004 zo dient te worden gelezen, dat met betrekking tot beslissingen over de vaststelling van de hoogte van de retributies de artikelen 17 tot en met 20 van de Algemene landsverordening belastingen van overeenkomstige toepassing zijn. Het gerecht, als algemeen bestuursrechter, ziet thans geen aanleiding daarover anders te oordelen. Dat brengt met zich dat het gerecht, gelet op artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c, van de Lar, onbevoegd is van het beroep kennis te nemen, voor zover het is gericht tegen het uitblijven van een beslissing op het tegen de factuur gemaakte bezwaar. Het gerecht zal bewerkstelligen dat het op 21 juni 2017 ingekomen beroepschrift in zoverre aan de belastingrechter ter hand zal worden gesteld.
2.2.1
De brief van 30 januari 2017 dient, gelet op de bewoordingen daarvan, naar het oordeel van het gerecht te worden aangemerkt als de weigering van verweerder aan appellante een zogenoemde precariovergunning te verlenen, nu appellante daarbij te kennen wordt gegeven dat indien zij niet binnen 30 dagen de verschuldigde precario voldoet, de vergunning niet zal worden verleend. Aldus behelst deze brief een beschikking, zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Lar. Voor zover het beroep hiertegen gericht is overweegt het gerecht dat appellante tijdig in beroep is gekomen tegen het uitblijven van een beslissing op haar bezwaarschrift.
2.2.2
Ingevolge artikel 32, aanhef en onder c, van de Lar kan het gerecht onmiddellijk uitspraak doen indien de beslissing waartegen het beroep is gericht, kennelijk niet in stand kan blijven. De vaststelling dat ten tijde van het sluiten van het onderzoek nog geen reële beslissing op het bezwaar is genomen en de omstandigheid dat geen verweer door verweerder is gevoerd, maken dat de ongemotiveerde, als afwijzende beslissing op het bezwaar geldende, beschikking kennelijk niet in stand kan blijven. Het beroep zal gegrond worden verklaard. Verweerder dient binnen drie maanden na deze uitspraak een reële beslissing te nemen.
2.3
Nu appellante met recht in beroep is gekomen en zich bij gemachtigde heeft laten vertegenwoordigen, is aannemelijk geworden dat appellante hiertoe noodzakelijke kosten heeft gemaakt. Verweerder zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding, begroot op een bedrag van Afl. 500,- aan gemachtigdensalaris.

3.BESLISSING

De rechter in dit gerecht:
- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep, voor zover gericht tegen het uitblijven van een beslissing op het door appellante tegen de factuur van 16 januari 2017 gemaakte bezwaar;
- verklaart het beroep voor het overige gegrond;
- vernietigt de bestreden fictieve afwijzende beschikking op het bezwaar van appellante;
- bepaalt dat verweerder binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraak een reële beslissing dient te nemen op het bezwaar van appellante;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de door appellante voor dit geding gemaakte kosten aan rechtskundige bijstand, begroot op Afl. 500,-;
- gelast dat het door appellante gestorte griffierecht van Afl. 25,- aan haar wordt terugbetaald.
Deze beslissing werd gegeven door mr. D.J. Jansen, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag 23 oktober 2017 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).
Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).