Klaagster, werkzaam als ploegcommandant detentie bij de Dienst Gevangeniswezen Aruba, maakte bezwaar tegen het landsbesluit waarin haar bevordering naar schaal 8 met ingang van 1 augustus 2024 werd vastgesteld. Zij stelde dat haar bevordering met ingang van 1 januari 2021 had moeten ingaan, omdat zij vanaf die datum feitelijk de functie vervulde en het diploma kaderopleiding I pas later behaalde door omstandigheden buiten haar macht.
Verweerder stelde dat de ingangsdatum terecht was vastgesteld op 1 augustus 2024, aansluitend op het behalen van het diploma op 4 juli 2024, conform de discretionaire bevoegdheid en de geldende regelgeving. Het gerecht overwoog dat bevordering geen recht is maar een discretionaire bevoegdheid en dat de opleidingsvoorwaarde uitdrukkelijk en zonder voorbehoud was gesteld in het landsbesluit van 13 april 2023.
Omdat klaagster het diploma niet binnen de gestelde termijn behaalde en zij dit niet voldoende onderbouwde, kon zij geen aanspraak maken op een eerdere bevordering. Het feit dat zij eerder werkzaamheden verrichtte die bij de functie hoorden, was onvoldoende om de opleidingsvoorwaarde te negeren. Het bezwaar werd daarom ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter Winfield op 30 maart 2026 en partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken binnen 30 dagen.