ECLI:NL:OGAACMB:2017:30

Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
19 juni 2017
Publicatiedatum
28 juni 2017
Zaaknummer
AUA201600537
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 89 LAArt. 97 LAArt. 98 LA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevorderingsdatum onderinspecteur wegens anciënniteitsvereiste en ziekteverzuim

Klager is bevorderd tot onderinspecteur met ingang van 1 maart 2015, terwijl hij meent dat deze bevordering per 1 december 2014 had moeten ingaan. Hij baseert dit op het feit dat hij op 1 november 2014 de kaderopleiding succesvol afrondde en zijn functioneren positief was.

Verweerder stelde dat de bevordering met drie maanden werd vertraagd vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid, waardoor klager op 1 december 2014 niet aan het anciënniteitsvereiste voldeed. Dit standpunt werd echter onvoldoende gemotiveerd, aangezien niet is aangegeven over welke periode klager ziek was en waarom dit de anciënniteit beïnvloedde.

Het gerecht oordeelde dat het standpunt van verweerder niet draagkrachtig was onderbouwd en verklaarde het bezwaar gegrond. Het landsbesluit tot bevordering per 1 maart 2015 werd vernietigd. De uitspraak werd gedaan door ambtenarenrechter W.C.E. Winfield op 19 juni 2017 tijdens een openbare terechtzitting.

Uitkomst: Het bezwaar van klager wordt gegrond verklaard en het landsbesluit tot bevordering per 1 maart 2015 wordt vernietigd.

Uitspraak

Uitspraak van 19 juni 2017
AUA201600537
HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het bezwaar van:
[klager],
wonend in Aruba,
KLAGER,
procederend in persoon,
tegen:
DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. J.O. Senchi (DWJZ).

1.PROCESVERLOOP

Bij Landsbesluit van 4 november 2016, no. 10, voor zover thans van belang, heeft verweerder klager met ingang van 1 maart 2015 bevorderd naar de rang van onderinspecteur.
Op 12 december 2016 heeft klager daartegen bezwaar gemaakt.
Op 13 maart 2017 heeft verweerder een contramemorie ingediend.
Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 mei 2017, waar klager, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde, zijn verschenen.
Uitspraak is bepaald op heden.

2.OVERWEGINGEN

2.1
Klager kan zich niet verenigen met de ingangsdatum van zijn bevordering. Zijn bevordering dient in te gaan per 1 december 2014, nu hij op 1 november 2014 de Kaderopleiding met goed gevolg heeft afgerond en zijn functioneren nimmer negatief is beoordeeld, aldus klager.
2.2
Aan de bestreden beschikking heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de bevordering naar de rang van onderinspecteur met drie maanden wordt vertraagd, omdat klager langdurig arbeidsongeschikt is geweest. In de contramemorie en ter zitting heeft verweerder dit standpunt aldus nader toegelicht, dat klager weliswaar in beginsel per 1 december 2014 in aanmerking kwam voor de desbetreffende bevordering, maar dat hij vanwege zijn langdurige arbeidsongeschiktheid in de daaraan voorafgaande periode per die datum niet voldeed aan het vereiste van anciënniteit.
2.3
Het gerecht is van oordeel dat verweerder zich onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat klager niet per 1 december 2014, maar eerst per 1 maart 2015 aan het vereiste van anciënniteit voldoet. Weliswaar is onder bepaalde omstandigheden op zichzelf niet onredelijk te achten dat verweerder bij het beslissen omtrent een bevordering onder meer het langdurig ziekteverzuim van betrokkene in aanmerking neemt, maar in dit geval heeft verweerder niet gemotiveerd gedurende welke periode klager wegens ziekte zijn werk verzuimd heeft en waarom klager in verband met dat ziekteverzuim eerst drie maanden later aan het vereiste van anciënniteit voldoet. Het betoog slaagt.
2.4
Het bezwaar is gegrond. De bestreden beschikking dient te worden vernietigd.
3. BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het bezwaar gegrond;
- vernietigt het Landsbesluit van 4 november 2016, no. 10.
Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 19 juni 2017 in aanwezigheid van de griffier.
Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).
Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).
Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).