Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:997

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
24/02398
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416.2 SvArt. 231.2 SrArt. 36e.1 SvArt. 36e.2 SvArt. 36h Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens onvoldoende belang bij klacht over betekening dagvaarding in hoger beroep

De verdachte werd veroordeeld voor het gebruik van een vals Frans paspoort en het voorhanden hebben van een valse Franse identiteitskaart. In hoger beroep werd de dagvaarding uitgereikt aan het kantooradres van de advocaat van de verdachte, terwijl de verdachte zelf geen bekend woon- of verblijfadres had in Nederland of daarbuiten.

De verdachte klaagde in cassatie dat de dagvaarding niet rechtsgeldig was betekend omdat deze niet aan de autoriteit van welke zij was uitgegaan was uitgereikt, zoals vereist volgens artikel 36e lid 2 Sv. De Hoge Raad bevestigde dat de dagvaarding niet aan de juiste autoriteit was uitgereikt, waardoor het oordeel van het hof niet begrijpelijk was.

Echter, omdat de dagvaarding de verdachte niet zou hebben bereikt en de dagvaarding wel aan het kantooradres van de advocaat was uitgereikt, leidde dit verzuim niet tot een ander resultaat voor de verdachte. De Hoge Raad oordeelde dat de verdachte daardoor onvoldoende belang had bij de klacht en verwierp het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens onvoldoende belang bij de klacht over de betekening van de dagvaarding in hoger beroep.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/02398
Datum23 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 11 juni 2024, nummer 22-002205-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat N. Roos bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend (uitgereikt). Het voert daartoe aan dat niet uit de stukken blijkt dat de dagvaarding aan een medewerker van het openbaar ministerie is uitgereikt.
2.2.1
Uit de stukken volgt onder meer dat:
- in de akte instellen hoger beroep van 19 juli 2023 is vermeld dat de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats hier te lande heeft en domicilie kiest te [a-straat 1] , [postcode 1] in [plaats] ;
- de aan de akte instellen hoger beroep gehechte schriftelijke bijzondere volmacht van de advocaat van de verdachte [betrokkene 1] aan de strafgriffie van de rechtbank van 19 juli 2023 inhoudt dat de advocaat als adres voor de toezending van een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep als bedoeld in artikel 450 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) heeft opgegeven: [a-straat 1] , [postcode 1] in [plaats] (het kantooradres van de advocaat);
- volgens een akte van uitreiking de dagvaarding in hoger beroep voor de terechtzitting van 11 juni 2024 op 8 mei 2024 is uitgereikt op het adres [a-straat 1] , [postcode 1] in [plaats] aan de advocaat N. Roos die zich op dat adres bevond en die heeft beloofd de dagvaarding onmiddellijk aan de verdachte te geven;
- uitdraaien van SKDB-bevragingen in cassatie, die aan de aanzegging in cassatie zijn gehecht, inhouden dat van de verdachte pas sinds 13 juli 2025 een woon- of verblijfadres of een postadres bekend is.
2.2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:
“De verdachte, gedagvaard als:
(...)
thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
is niet ter terechtzitting verschenen.
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. [betrokkene 1] , advocaat te [plaats] , die mededeelt niet door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.
Alle verklaringen zijn zakelijk weergegeven, tenzij anders vermeld.
De voorzitter deelt mede:
Volgens de op 28 mei 2024 aan de SKDB ontleende gegevens is de verdachte niet gedetineerd en niet als ingezetene in Nederland ingeschreven, terwijl er ook overigens geen woon- of verblijfplaats van de verdachte bekend is.
Bij instelling van het rechtsmiddel op 19 juli 2023 heeft de verdachte domicilie gekozen ten kantore van haar raadsman op het adres [a-straat 1] te [plaats] . Blijkens de akte van uitreiking is de dagvaarding om heden ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen op 8 mei 2024 betekend door uitreiking aan een ander die zich op het adres [a-straat 1] te [plaats] bevond.
Blijkens het proces-verbaal van de KMAR […] vermeldt haar op 9 januari 2020 afgegeven Franse paspoort, waarvan de authenticiteit niet vaststaat, als adres [b-straat 1] , [postcode 2] [plaats] , Frankrijk. Gelet op de aard en datum van dit gegeven en de daarvan afwijkende adresopgaven sindsdien lijkt dat geen adres dat is te beschouwen als bekende woon- of verblijfplaats in het buitenland, terwijl dit adres voorts geen afschriftverplichting oproept omdat het niet in Nederland is gelegen. Derhalve kan buiten beschouwing blijven wat er de consequentie van behoort te zijn dat het openbaar ministerie ten aanzien van dit adres heeft volstaan met toezending van een afschrift van de dagvaarding op 18 april 2024 met als adres “ [postcode 2] [plaats] Frankrijk”.
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.”
2.2.3
Het hof heeft het door de verdachte ingestelde hoger beroep op grond van artikel 416 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijk verklaard.
2.3.1
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 36e lid 1 en 2 Sv, zoals dat luidde tot 1 juli 2025:
“1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:
a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,
2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.
2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;
b. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien vervolgens blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt alsdan een afschrift van de gerechtelijke mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres, alsmede aan het adres in Nederland dat de verdachte heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. In de in dit onderdeel bedoelde gevallen wordt een akte van uitreiking als bedoeld in artikel 36h opgemaakt. Op de akte wordt aantekening gedaan van deze uitreiking en, indien daarvan sprake is, van deze toezending.”
- Artikel 36n lid 1 Sv:
“De rechter kan, indien de uitreiking niet is geschied overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling, de betekening nietig verklaren.”
2.3.2
Als op grond van het daartoe ingestelde onderzoek als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte niet in Nederland is ingeschreven in de BRP, niet in Nederland is gedetineerd, van hem niet een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is en van hem ook niet een adres in het buitenland bekend is, vindt – zoals volgt uit artikel 36e lid 2, aanhef en onder b, Sv – de betekening van de dagvaarding plaats door uitreiking aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Door die uitreiking is de dagvaarding rechtsgeldig betekend. (Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.23.)
2.4
Uit de stukken kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het betekenen van de dagvaarding in hoger beroep niet was gedetineerd, dat zij niet stond ingeschreven in de BRP, dat van haar niet een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was en dat van haar ook niet een adres in het buitenland bekend was. Uit de stukken volgt echter niet dat de dagvaarding in hoger beroep is uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Het kennelijke oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend is daarom, gelet op wat onder 2.3.2 is vooropgesteld, niet begrijpelijk. Daaraan doet niet af dat de dagvaarding wel is uitgereikt op het kantooradres van de advocaat dat is vermeld in de akte instellen hoger beroep en in de daaraan gehechte schriftelijke bijzondere volmacht van de advocaat van de verdachte, nu het kantooradres van de advocaat niet geldt als een adres zoals bedoeld in artikel 36e lid 1, aanhef en onder b, Sv (vgl., over artikel 36g lid 1, aanhef en onder c, Sv, HR 12 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1701, rechtsoverweging 2.4.2).
2.5
Het cassatiemiddel klaagt daarover terecht.
2.6
Dit hoeft om de volgende redenen niet tot cassatie te leiden. Als in dit geval in overeenstemming met artikel 36e lid 2, aanhef en onder b, Sv de dagvaarding zou zijn uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan, dan zou dat niet hebben geleid tot de toezending van een afschrift van de dagvaarding op grond van artikel 36e lid 2, aanhef en onder b, Sv naar een adres van de verdachte en die uitreiking zou ook niet hebben geleid tot een nieuwe poging om de dagvaarding alsnog uit te reiken op een adres van de verdachte. Uit de onder 2.2.1 weergegeven stukken volgt namelijk dat van de verdachte pas vanaf 13 juli 2025 een adres bekend is geworden. In dit geval zou dan wel – gelet op wat uit het onder 2.2.2 weergegeven proces-verbaal blijkt en in aanmerking genomen dat de verdachte ten tijde van die uitreiking niet was ingeschreven in de BRP en niet was gedetineerd in Nederland, en ook niet een feitelijke woon- of verblijfplaats van haar in Nederland of een adres in het buitenland bekend was – gelden dat de rechter in hoger beroep bij afwezigheid van de verdachte en een door haar op grond van artikel 279 Sv Pro gemachtigde raadsman, de zaak niet in behandeling zou mogen nemen voordat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep was verzonden naar het in de akte rechtsmiddel dan wel het in de schriftelijke bijzondere volmacht vermelde kantooradres van de advocaat (vgl. HR 12 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1701, rechtsoverweging 2.4.3).
Het komt er dus op neer dat ook als de dagvaarding wel op grond van artikel 36e lid 2, aanhef en onder b, Sv zou zijn uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan, deze de verdachte niet zou hebben bereikt, terwijl vervolgens (een afschrift van) de dagvaarding bij het in de schriftelijke bijzondere volmacht vermelde kantooradres van de advocaat terecht zou (moeten) zijn gekomen. In dit specifieke geval heeft het verzuim om de dagvaarding uit te reiken aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan – in vergelijking met de gang van zaken die uit de onder 2.2.1 weergegeven stukken blijkt en die inhoudt dat de dagvaarding aan het kantooradres van de advocaat is uitgereikt – niet tot een voor de verdachte ander resultaat geleid. De verdachte heeft daarom onvoldoende belang bij de in het cassatiemiddel aangevoerde klacht.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
23 juni 2026.