Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
23 juni 2026.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot grootschalige hennepteelt, op grond van artikel 11a jo. 11.5 van de Opiumwet. Het cassatiemiddel richtte zich tegen de bewezenverklaring dat de verdachte stoffen en voorwerpen voorhanden had waarvan hij en zijn medeverdachte ernstige reden hadden te vermoeden dat deze bestemd waren tot het plegen van strafbare feiten.
De Hoge Raad oordeelde dat het cassatiemiddel slaagt, verwijzend naar een gelijktijdig arrest (ECLI:NL:HR:2026:994) waarin de motivering omtrent de bestemming van de voorwerpen onvoldoende was. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat de verdachte de vereiste wetenschap had omtrent de strafbare bestemming van de stoffen en voorwerpen.
Op grond hiervan vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en wees de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe berechting en beslissing. De zaak wordt aldus opnieuw beoordeeld op het bestaande hoger beroep, waarbij de bewijsvoering en motivering opnieuw moeten worden onderzocht.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.