Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
23 juni 2026.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor het samen met een medeverdachte voorhanden hebben van stoffen en voorwerpen bestemd tot grootschalige hennepteelt in een onbewoonde woning. Het hof baseerde zich op diverse bewijsmiddelen, waaronder politieonderzoek, buurtonderzoeken, foto’s en verklaringen, waaruit bleek dat in de woning een ontmantelde hennepkwekerij was en dat verdachte en medeverdachte meerdere keren in de woning aanwezig waren.
De verdachte werd primair vrijgesproken van medeplegen van hennepteelt, maar subsidiair veroordeeld voor het voorhanden hebben van voorwerpen waarvan hij ernstige reden had te vermoeden dat deze bestemd waren tot grootschalige hennepteelt, conform artikel 11a Opiumwet. Het hof stelde dat de gedragingen van verdachte en medeverdachte gericht waren op voorbereiding of vergemakkelijking van hennepteelt.
De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof onvoldoende heeft vastgesteld wat het uiteindelijke doel was van het voorhanden hebben van de voorwerpen en stoffen. Hoewel het hof vaststelde dat sprake was van een ontmantelde hennepkwekerij en dat verdachte en medeverdachte de woning hadden opgeruimd, ontbraken nadere vaststellingen over het doel van hun handelingen. Hierdoor is het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk en faalt de bewezenverklaring.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting en beslissing. De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van 1 november 2023.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof wegens onvoldoende vaststelling van het uiteindelijke doel en wijst zaak terug voor hernieuwde berechting.