Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Bewijsoverwegingen
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
23 juni 2026.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor medeplegen van oplichting door het verstrekken van valse stukken aan de SNS-Bank om een hypothecaire geldlening te verkrijgen. Het hof oordeelde dat de verdachte niet de intentie had om het pand als primaire woning te gebruiken, terwijl het taxatierapport en de aanvraag dit wel aangaven.
De verdediging voerde aan dat de aanvraag ongedateerd was en dat de woning pas na de aanvraag werd verhuurd, waardoor de intentie tot primaire bewoning niet kon worden betwist. Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder het Kadaster, huurovereenkomsten en bankafschriften, en concludeerde dat de verdachte en een medeverdachte in nauwe samenwerking de bank hadden misleid.
De Hoge Raad oordeelt echter dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van de aanvraag en het taxatierapport niet de intentie had de woning als primaire woning te gebruiken. Gezien de aangevoerde verweren in hoger beroep is de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling met inachtneming van eerdere jurisprudentie.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest en wijst zaak terug naar hof wegens onvoldoende motivering van bewezenverklaring over intentie primaire bewoning.