Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:950

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
23/02913
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326.1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest medeplegen oplichting hypothecaire geldlening wegens onvoldoende motivering intentie primaire bewoning

De verdachte werd door het hof veroordeeld voor medeplegen van oplichting door het verstrekken van valse stukken aan de SNS-Bank om een hypothecaire geldlening te verkrijgen. Het hof oordeelde dat de verdachte niet de intentie had het pand als primaire woning te gebruiken, terwijl het taxatierapport en de aanvraag hypothecaire lening dit wel suggereerden.

De verdediging voerde aan dat de aanvraag ongedateerd was en dat het pand vanaf november 2007 werd verhuurd, waardoor de intentie tot primaire bewoning ontbrak. Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder het Kadaster, bankgegevens en huurovereenkomsten, en concludeerde dat de verdachte samen met een medeverdachte de bank had misleid.

De Hoge Raad oordeelt echter dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het opstellen van de aanvraag en het taxatierapport geen intentie had het pand als primaire woning te gebruiken. Gezien de door de verdediging aangevoerde omstandigheden is de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling met inachtneming van een eerder arrest (HR:2022:1074).

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest en wijst zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering bewezenverklaring intentie primaire bewoning.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/02913
Datum23 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 juli 2023, nummer 20-001560-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B.G. Janssen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het hof ’s-Hertogenbosch opdat de zaak (met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1074) opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt, mede in het licht van een in hoger beroep gevoerd verweer, over de (motivering van de) bewezenverklaring van het medeplegen van oplichting.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij in de periode van 23 januari 2008 tot en met 29 februari 2008, in de gemeente [plaats] en/of in de gemeente [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen, de SNS-Bank heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag (91.000 euro voor een hypothecaire geldlening), hebbende zij, verdachte, en/of haar mededader met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- opzettelijk valselijk en listiglijk en in strijd met de waarheid:
- aan de SNS Bank een valselijk opgemaakt taxatierapport d.d. 20 december 2007 (van (beëdigd) taxateur [A] ) verstrekt, bestaande die valsheid hierin dat in dat taxatierapport enkel waarden vrij van huur waren vermeld en dat in antwoord op de vraag “wordt het object volledig bewoond door de eigenaar” was ingevuld “wordt nog opgeleverd”, waardoor -in strijd met de waarheid- de indruk werd gewekt dat genoemd perceel niet verhuurd was of zou worden en bestemd was voor eigen bewoning en
- aan de SNS Bank een formulier “Aanvraag hypothecaire geldlening” verstrekt, waarin in strijd met de waarheid stond opgenomen dat de reden van aankoop door verdachte was om het pand als primaire woning te gaan gebruiken,
waardoor genoemde SNS-Bank werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2.
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder onder meer overwogen:

Bewijsoverwegingen
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder 2, het tweede en het derde gedachtestreepje, tenlastegelegde. Daartoe is aangevoerd dat nergens uit blijkt dat de verdachte bekend was met de inhoud van het taxatierapport, wist dat het in dat taxatierapport gestelde in strijd met de waarheid zou zijn en wist dat het taxatierapport is ingediend bij de SNS-Bank. Voorts is aangevoerd dat uit de aangifte van de SNS-Bank blijkt dat geen andere stukken bij de SNS-Bank zijn ingediend dan de inkomensverklaring en dat uit het dossier niet blijkt dat het taxatierapport aan de SNS-Bank is verstrekt. Ten aanzien van het derde gedachtestreepje is bepleit dat niet bewezen kan worden dat in de aanvraag voor een hypothecaire geldlening in strijd met waarheid is vermeld dat de reden van aankoop voor de verdachte was om het pand als primaire woning te gaan gebruiken en dat evenmin bewezen kan worden dat die valse opgave een oplichtingsmiddel is. Daartoe is aangevoerd dat uit het dossier blijkt dat de aanvraag voor een hypothecaire lening is opgesteld op 20 augustus 2007, terwijl gesteld wordt dat het pand aan de [a-straat 1] vanaf november 2007 werd verhuurd en het pand aan de [a-straat 2] vanaf december 2007. Gelet hierop heeft de verdachte in augustus 2007 niet in strijd met de waarheid opgegeven dat het pand was bestemd voor primaire bewoning, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen het volgende vast. Uit het Kadaster blijkt dat door [verdachte] op 29 februari 2008 een appartement gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] wordt gekocht voor de prijs van € 81.250,-. Door de SNS-bank wordt een hypothecaire geldlening verstrekt van € 91.000,- aan [verdachte] . In de aanvraag voor een hypothecaire geldlening is opgenomen de vermelding dat het pand als primaire woning zou worden gebruikt. In het taxatierapport van 20 december 2007 is vermeld dat het object onbewoond is en bedoeld is voor bewoning door de eigenaar.
Door verdachte wordt een pand gekocht, waarbij de financiering plaatsvindt door het verkrijgen van een hypotheek waarbij aan verdachte een bedrag van € 91.000,00 wordt uitgekeerd. Blijkens de aangifte, is de bank door de aangeleverde stukken bewogen om een hypotheekakte op te maken en een bedrag van € 91.000,00 af te geven.
Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder de aangifte namens SNS Reaal, blijkt dat de aangever heeft verklaard dat als de taxateur wist dat het pand verhuurd was op het moment van taxatie, hij dan valsheid in geschrifte pleegde, aangezien in het taxatierapport aangegeven wordt dat het object niet door derden wordt bewoond. Uit de omstandigheid dat de SNS-bank kennis had van de inhoud van het bewuste taxatierapport, leidt het hof af dat de SNS-Bank ook de beschikking had over het rapport dat ten behoeve van de hypotheekaanvraag was opgesteld en dat dit daarmee direct of indirect door de verdachte en/of haar mededader aan de SNS-Bank was verstrekt. Naar oordeel van het hof doet daaraan niet af dat in de aangifte van de SNS-Bank wordt aangegeven dat geen andere stukken bij de SNS-Bank zijn ingediend dan de inkomensverklaring, omdat dit onderdeel van de aangifte specifiek zag op stukken met betrekking tot de vaststelling van het jaarinkomen van de verdachte.
Het hof stelt voorop dat de aanvraag voor een hypothecaire lening op naam van de verdachte niet is opgesteld op 20 augustus 2007, zoals door de verdediging wordt gesteld, nu deze ongedateerd is, zodat de stelling van de verdediging feitelijke grondslag mist. Nu de door verdachte en haar adviseur ondertekende inkomensverklaring, (waarbij een inkomen is vermeld van Eur. 22.500,--) die benodigd is voor het verkrijgen van een hypotheek, is gedateerd 23 januari 2008, stelt het hof vast dat de uiteindelijke aanvraag hypothecaire geldlening aan de SNS bank is gedaan tussen 23 januari 2008 en 29 februari 2008, zijnde de datum waarop de geldlening door de SNS bank aan verdachte is verstrekt.
Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof verder vast dat de verdachte nimmer op het adres [a-straat 1] te [plaats] heeft gewoond en dat de vader van de verdachte de woning - die de verdachte heeft gekocht - wilde hebben voor de verhuur. Voorts stelt het hof op basis van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat de woning (gelegen aan [a-straat 1] [plaats] ) blijkens een in de woning van de vader van de verdachte aangetroffen huurovereenkomst reeds vanaf 1 november 2007 werd verhuurd, terwijl de koopovereenkomst door de verdachte op 21 december 2007 is gesloten en de woning op 29 februari 2008 aan haar is geleverd, en dat de huurder vanaf 28 november 2007 maandelijks de huur overmaakte naar de gezamenlijke bankrekening van de vader en moeder van de verdachte. Gelet hierop kan naar oordeel van het hof worden vastgesteld dat de verdachte ten tijde van het verstrekken van de aanvraag hypothecaire geldlening aan de SNS-Bank niet de intentie had om het pand als primaire woning te gebruiken, zodat in de verstrekte aanvraag hypothecaire geldlening in strijd met de waarheid is opgenomen dat de reden van aankoop door de verdachte was om het pand als primaire woning te gaan gebruiken.
Het hof merkt op dat in het taxatierapport van [A] niet het pand [a-straat 1] staat vermeld, maar [a-straat 2] . Het hof gaat ervan uit dat dit op een vergissing berust. Het hof merkt hierbij op, dat ter zake van beide panden [a-straat 1] en [a-straat 2] een taxatierapport is opgemaakt door [A] , waarin staat vermeld dat het pand niet is verhuurd. Het pand [a-straat 2] is verkocht aan [medeverdachte 1] , de moeder van verdachte, en ook dat pand werd verhuurd vóór de datum waarop de hypotheekakte voor het pand [a-straat 1] werd afgesloten. Dit pand is verhuurd vanaf 1 december 2007. Bij onderzoek van [rekeningnummer] ten name van [medeverdachte 1] blijkt dat sedert 3 december 2007 door [betrokkene 1] maandelijks een huurbedrag van € 575,00 werd overgemaakt. Gelet op het voorgaande wekt het taxatierapport van 20 december 2007 de (valse) indruk dat het pand niet was of zou worden verhuurd maar bestemd was voor eigen bewoning.
Er is valselijk op de stukken vermeld dat het pand niet verhuurd zou zijn. Door de gegevens vals in te vullen en vervolgens ook bij de bank in te dienen en daarbij een hypotheekakte te tekenen, bewerkstelligt de verdachte dat zij een bedrag van € 91.000,00 aan hypotheek kan verkrijgen en het pand kon kopen.
Het doel van het opmaken van de valse geschriften is geweest een hypotheekverstrekking van € 91.000,00 te verkrijgen en daarmee het pand te kunnen kopen. Het hof concludeert dan ook dat deze bescheiden werden opgemaakt met het oogmerk om zichzelf en/of een ander te bevoordelen.
Medeplegen
(...)
Uitgaande van bovenstaand toetsingskader komt het hof tot het oordeel dat er sprake is geweest van medeplegen van verdachte met medeverdachte [medeverdachte 2] , tussenpersoon en (hypotheek)adviseur. Verdachte heeft met hulp en bemiddeling van deze [medeverdachte 2] een huis gekocht. Daartoe is een koopcontract opgesteld dat door [verdachte] is ondertekend en vervolgens is ter zake van de levering van de woning een afspraak gemaakt bij de notaris. Deze levering is vergezeld gegaan met het opmaken van een hypotheekakte. Er is bij de bank een hypotheek aangevraagd, daartoe zijn een hypotheekaanvraag en inkomensgegevens aangeleverd. Er is tevens een woonlastenverzekering aangevraagd. De valse bescheiden die hiervoor nodig waren zijn tot stand gekomen in samenwerking met de tussenpersoon [medeverdachte 2] en zijn door verdachte (mede) ondertekend. Het is de verdachte die de valse bescheiden (mede) heeft ondertekend en de hypotheek heeft aangevraagd. Dat heeft zij gedaan in samenspraak met de tussenpersoon [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] bereidde alles voor en stelde de verdachte daardoor in staat de woning te kopen. Zonder medewerking van [medeverdachte 2] was het verdachte niet gelukt om de SNS-bank op te lichten. Verdachte en [medeverdachte 2] hebben hiermee naar het oordeel van het hof in nauwe en bewuste samenwerking de feiten gepleegd, waarbij ieders intellectuele en materiële bijdrage van voldoende gewicht was.
Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met een ander schuldig heeft gemaakt aan witwassen (de Hoge Raad begrijpt: oplichting), zoals aan haar onder 2, het tweede en derde gedachtestreepje, is tenlastegelegd.”
2.3
Uit de bewijsvoering van het hof kan niet zonder meer worden afgeleid dat – zoals het hof heeft geoordeeld – de verdachte ten tijde van het opstellen en verstrekken van de “aanvraag hypothecaire geldlening d.d. 20 augustus 2007” en van het taxatierapport van 20 december 2007, niet de intentie had om het pand aan de [a-straat 1] in [plaats] als “primaire woning” (zonder dat sprake was van verhuur van die woning) te gebruiken. Mede in het licht van wat over die intentie door de verdediging in hoger beroep naar voren is gebracht, zoals weergegeven onder 2.2.3, is de bewezenverklaring daarom ontoereikend gemotiveerd.
2.4
Het cassatiemiddel slaagt.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1074.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
23 juni 2026.