Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
9 juni 2026.
Hoge Raad
De verdachte, moeder van drie minderjarige kinderen, werd door de kinderrechter onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling vanwege een concrete ontwikkelingsbedreiging. Ondanks deze ondertoezichtstelling vertrok zij in de periode van 17 oktober tot 29 november 2022 met haar kinderen naar Portugal zonder de instelling te informeren over de verhuizing of verblijfplaats.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de verdachte opzettelijk de kinderen aan het opzicht van de instelling had onttrokken. De verdachte stelde dat zij geen verhuisverbod had en dat zij ervan uitging dat de toezichthoudende instantie automatisch geïnformeerd zou worden via uitschrijving uit de BRP, wat niet aannemelijk werd geacht.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het opzettelijk onttrekken aan het opzicht ook kan bestaan uit het niet informeren van de toezichthoudende instantie over de verblijfplaats. Tevens werd geoordeeld dat de ondertoezichtstelling een gerechtvaardigde inbreuk op het gezinsleven vormt en geen verhuisverbod inhoudt, maar wel vereist dat de instelling haar toezicht kan blijven uitoefenen.
De redelijke termijn was overschreden, maar gezien de opgelegde straf van 120 dagen waarvan 53 voorwaardelijk, werd geen verdere sanctie aan de termijnoverschrijding verbonden. Het beroep werd verworpen en de veroordeling gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de moeder voor opzettelijke onttrekking van haar minderjarige kinderen aan het opzicht door verhuizing naar Portugal zonder overleg.