Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:841

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
25/04601
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 lid 1 WvggzArt. 6:4 WvggzArt. 6:5 WvggzArt. 6:6 lid 1 WvggzArt. 6:6 lid 2 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Maximale duur van nieuwe zorgmachtiging aansluitend op eerdere machtiging volgens Wvggz

In deze zaak ging het om de vraag of een nieuwe zorgmachtiging voor twaalf maanden kon worden verleend terwijl de eerdere zorgmachtiging van zes maanden nog geldig was. De rechtbank Noord-Holland had op 3 april 2025 een zorgmachtiging verleend tot en met 4 oktober 2025. Op 1 oktober 2025 verzocht de officier van justitie om een aansluitende zorgmachtiging voor twaalf maanden. De rechtbank besloot binnen de beslistermijn van drie weken na ontvangst van het verzoek, namelijk op 20 oktober 2025, tot verlening van de nieuwe machtiging.

De betrokkene stelde dat de eerdere machtiging op het moment van de uitspraak was vervallen, zodat slechts een machtiging voor maximaal zes maanden kon worden verleend. De Hoge Raad oordeelde echter dat de nieuwe machtiging aansluit op de lopende machtiging omdat het verzoek tijdig was ingediend en de rechtbank binnen de beslistermijn had beslist. Hierdoor kon de nieuwe machtiging volgens art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz voor maximaal twaalf maanden worden verleend.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de rechtmatigheid van de verlenging voor twaalf maanden. Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van de termijnen en voorwaarden voor aansluitende zorgmachtigingen onder de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat een aansluitende zorgmachtiging voor maximaal twaalf maanden kan worden verleend indien het verzoek tijdig is ingediend en de rechtbank binnen de beslistermijn beslist.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/04601
Datum5 juni 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: G.E.M. Later,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT NOORD-HOLLAND,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/15/370168 / FA RK 25-4976 van de rechtbank Noord-Holland van 20 oktober 2025.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van betrokkene heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij beschikking van 3 april 2025 heeft de rechtbank Noord-Holland ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:4 Wvggz Pro verleend tot en met 4 oktober 2025.
(ii) Bij verzoekschrift van 1 oktober 2025 heeft de officier van justitie verzocht om ten aanzien van betrokkene een aansluitende zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.
(iii) Op 20 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal blijkt dat de rechtbank, aansluitend, mondeling uitspraak heeft gedaan.
(iv) Bij beschikking van 20 oktober 2025 heeft de rechtbank [1] ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden tot en met 20 oktober 2026.

3.Beoordeling van het middel

3.1
Het middel richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in de hiervoor in 2.1 onder (iv) genoemde beschikking dat de zorgmachtiging kan worden verleend voor de duur van twaalf maanden. Het middel klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat ten tijde van de uitspraak de bestaande zorgmachtiging was vervallen, zodat geen sprake was van een aansluitende zorgmachtiging en aldus een zorgmachtiging voor de duur van maximaal zes maanden kon worden verleend.
3.2
Art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz bepaalt, voor zover hier van belang, dat de rechter een zorgmachtiging verleent voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, maar maximaal voor zes maanden. Indien het een zorgmachtiging betreft die aansluit op een eerdere zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz, kan de rechter een zorgmachtiging verlenen voor maximaal twaalf maanden (art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz).
3.3
Een zorgmachtiging vervalt indien de geldigheidsduur is verstreken (art. 6:6 lid Pro 1, aanhef en onder a, Wvggz). Indien de officier van justitie een nieuw verzoek voor een zorgmachtiging heeft ingediend voordat de geldigheidsduur, bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz is verstreken, dan wel uiterlijk vier weken voordat de geldigheidsduur, bedoeld in art. 6:5, onderdeel b, Wvggz is verstreken, vervalt de eerdere zorgmachtiging in afwijking van art. 6:6 lid Pro 1, aanhef en onder a, Wvggz echter als de rechter op het verzoekschrift heeft beslist of, voor zover hier van belang, door het verstrijken van de beslistermijn van drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (art. 6:6 lid 2 Wvggz Pro in verbinding met art. 6:2 lid Pro 1, aanhef en onder e, Wvggz). Bij inachtneming van deze termijnen is sprake van aansluiting van de vervolgmachtiging op de lopende machtiging als bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz, en kan de vervolgmachtiging voor de duur van maximaal twaalf maanden worden verleend. [2]
3.4
In dit geval was de lopende zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden, tot en met 4 oktober 2025. De officier van justitie heeft het verzoekschrift voor een vervolgmachtiging ingediend op 1 oktober 2025, en dus voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging. De rechtbank moest vervolgens uiterlijk drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (en dus uiterlijk op 22 oktober 2025) beslissen (art. 6:2 lid Pro 1, aanhef en onder e, Wvggz). Dat heeft de rechtbank gedaan met haar beschikking van 20 oktober 2025.
3.5
Gelet op wat hiervoor in 3.2-3.4 is overwogen, sluit de vervolgmachtiging aan op de lopende machtiging en stond het de rechtbank vrij om, met toepassing van art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz de duur van de vervolgmachtiging te stellen op twaalf maanden. Het middel faalt dus.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren H.M. Wattendorff, als voorzitter, F.J.P. Lock en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op
5 juni 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Noord-Holland 20 oktober 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:12619.
2.HR 19 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1321, rov. 3.3.