Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
5 juni 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de officier van justitie een zorgmachtiging voor zes maanden verzocht ten aanzien van betrokkene. Tijdens de mondelinge behandeling op 25 februari 2025 was betrokkene niet aanwezig. De arts verklaarde dat betrokkene ongeoorloofd afwezig was en momenteel teruggebracht werd naar een zorginstelling. De advocaat van betrokkene pleitte afwijzing van het verzoek, stellende dat betrokkene bewust weinig bemoeienis wenste.
De rechtbank verleende op 25 februari 2025 een zorgmachtiging voor drie weken en oordeelde dat betrokkene niet bereid was met de rechter te praten, omdat zij niet was verschenen ondanks kennis van de zitting. Op 14 maart 2025 verscheen betrokkene wel en werd een zorgmachtiging verleend tot 25 augustus 2025.
De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van de rechtbank dat betrokkene niet bereid was zich te laten horen onbegrijpelijk is, gelet op de verklaringen van de arts en advocaat. De Hoge Raad benadrukt dat de rechter de bereidheid van betrokkene om zich te laten horen zorgvuldig moet onderzoeken en motiveren. De beschikking van 25 februari 2025 wordt vernietigd, het beroep tegen de beschikking van 14 maart 2025 wordt verworpen en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van 25 februari 2025 wegens onbegrijpelijk oordeel over bereidheid betrokkene tot horen en wijst de zaak terug voor verdere behandeling.