Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
27 januari 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op 12 augustus 2021 te een plaats opzettelijk niet had voldaan aan een bevel of vordering van politieambtenaren om mee te werken aan een onderzoek aan zijn kleding, krachtens artikel 126zs Wetboek van Strafvordering. Het hof Arnhem-Leeuwarden verklaarde hem schuldig op grond van artikel 184 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht.
De Hoge Raad onderzocht of het bevel of de vordering waarop het hof zich baseerde, uitdrukkelijk krachtens wettelijk voorschrift was gegeven, zoals vereist door artikel 184 lid 1 Sr Pro. De Hoge Raad herhaalde de jurisprudentie dat een zodanig wettelijk voorschrift een uitdrukkelijke bevoegdheid tot het geven van het bevel moet bevatten.
Artikel 126zs Sv, waarop het hof zich baseerde, bevat echter niet uitdrukkelijk een dergelijke bevoegdheid voor politieambtenaren om het bevel te geven. Hierdoor was de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd voor zover zij inhoudt dat het bevel krachtens wettelijk voorschrift was gegeven.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe berechting en beslissing.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens ontoereikende motivering dat het bevel krachtens wettelijk voorschrift was gegeven, en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.