Uitspraak
gevestigd te Amsterdam,
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
4.Verdere beoordeling van het middel in het principale beroep
5.Beoordeling van het middel in het (deels voorwaardelijke) incidentele beroep
6.Beslissing
29 mei 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de Nederlandse rechter bevoegd is om een vordering te behandelen tegen een Griekse dochtervennootschap en haar Nederlandse moedervennootschap wegens vermeende inbreuk op het Europese en Griekse mededingingsrecht. De zaak betrof een geschil tussen Macedonian Thrace Brewery S.A. (MTB) en Heineken N.V. en haar dochtervennootschap Athenian Brewery S.A. (AB).
De Hoge Raad verwees naar een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) waarin werd bevestigd dat het vermoeden van beslissende invloed van de moedervennootschap op de dochtervennootschap kan worden gebruikt om de internationale bevoegdheid van de rechter van de woonplaats van de moedervennootschap vast te stellen. Dit vermoeden kan worden weerlegd door bewijskrachtige aanwijzingen van de verweerder.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat niet op voorhand kon worden uitgesloten dat Heineken beslissende invloed uitoefent op AB, en dat het hof daarmee niet in strijd handelde met de vereisten van artikel 8, punt 1, van Verordening Brussel I-bis. De klachten van Heineken c.s. en MTB werden verworpen en beide partijen werden veroordeeld in de proceskosten.
De uitspraak bevestigt de nauwe band tussen moedervennootschap en dochtervennootschap als grond voor internationale bevoegdheid en verduidelijkt de toepassing van het vermoeden van beslissende invloed in het kader van mededingingsrechtelijke vorderingen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van het vermoeden van beslissende invloed.