ECLI:NL:HR:2026:78

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
23/04893
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Witwassen van geldbedragen en vordering benadeelde partijen in strafzaak

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam. De verdachte, geboren in 1976, was betrokken bij een organisatie die zich schuldig maakte aan oplichting van beleggers door hen te bewegen te investeren in obligaties die nooit werden aangewend voor de beloofde projecten. De verdachte heeft in de periode van 1 december 2016 tot en met 28 maart 2017 in totaal € 9.208,58 verworven en voorhanden gehad, wetende dat deze bedragen afkomstig waren uit misdrijf. Het hof had eerder geoordeeld dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan witwassen en had vorderingen tot schadevergoeding van benadeelde partijen toegewezen. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte over de bewezenverklaring van het witwassen niet tot cassatie leidden, maar dat de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen niet voldoende gemotiveerd was. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het hof voor wat betreft de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en de oplegging van schadevergoedingsmaatregelen, en wees de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor herbehandeling. De redelijke termijn van de procedure was overschreden, maar de Hoge Raad verbond hieraan geen rechtsgevolgen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04893
Datum20 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 december 2023, nummer 23-002794-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.P.W. Nijboer bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij in de periode van 1 december 2016 tot en met 28 maart 2017 in Nederland geldbedragen van (in totaal) EUR 9.208,58 heeft verworven en voorhanden heeft gehad en/of heeft gebruikt, terwijl zij wist dat genoemde geldbedragen, geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.”
2.2
De bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn weergegeven in de uitspraak van het hof die is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHAMS:2023:3645.
2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder onder meer overwogen:
“Feiten en omstandigheden
De aanleiding voor het strafrechtelijke onderzoek naar [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (Monte Titano II) is een eerder strafrechtelijk onderzoek onder de naam Monte Titano naar onder meer oplichting door [A] en [B] . De activiteiten van [B] waren een voortzetting van de organisatie die vanaf het derde kwartaal 2015 tot en met juli 2016 obligaties onder de naam [A] verkocht. [B] is vanaf medio 2016 gestart met het verkopen van obligaties. [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) was één van de leidinggevenden van deze rechtspersonen.
De oplichting door [A] en [B] vond plaats doordat onder valse voorwendselen beleggers werden bewogen tot het investeren in obligaties. Aan beleggers werd voorgehouden dat zou worden geïnvesteerd in onroerend goed ( [A] ) en in windenergie ( [B] ). Voor [A] en [B] is in totaal ruim € 7,4 miljoen binnengehaald van beleggers. Voor wat betreft [B] is daarvan helemaal niets geïnvesteerd in het doel dat was voorgehouden en bij [A] was dat slechts een klein gedeelte.
Op 28 juni 2019 is [medeverdachte 3] door de rechtbank Amsterdam veroordeeld voor (onder andere) het oplichten van alle investeerders in [A] en [B] . Dit vonnis is bij arrest van dit hof van 5 december 2023 bevestigd, behalve wat betreft de strafoplegging, de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] werkten in 2016 alle drie als verkoper/account-manager voor de organisatie die, onder leiding van onder andere [medeverdachte 3] , obligaties [A] en [B] verkocht. Verkopers belden aan de hand van bellijsten naar potentiële klanten of zij geïnteresseerd waren en of informatie mocht worden toegezonden. Vervolgens belden andere verkopers, waaronder [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , of beleggers obligaties wilden kopen en geld wilden inleggen. [verdachte] werkte aanvankelijk als verkoper en vervolgens (een deel van haar tijd) voor de administratie en het relatiebeheer.
(...) [verdachte] werd voor haar werkzaamheden voor [A] en [B] vanaf 1 juni 2016 betaald door [C] B.V.
Medio 2016 werd gestart met de verkoop van [B] , een fonds dat zou beleggen in windenergie. Er zouden windmolens worden aangekocht of gebouwd in [plaats] of in [plaats] . Volgens [verdachte] was de informatie die de klanten kregen onvoldoende en werd hen voorgehouden dat aanvullende informatie later kwam. [medeverdachte 1] vroeg aan [medeverdachte 3] hoe het zat met de subsidie voor [B] , waarop [medeverdachte 3] zei: ‘We wachten nog op de laatste stempel’, hetgeen volgens [medeverdachte 1] steeds ‘volgende week, volgende week’ werd. Dit, terwijl [medeverdachte 1] wist dat de subsidie een verkooptool was en ook door hem aan potentiële investeerders werd verteld. Informatie die [medeverdachte 1] aan klanten vertelde, was afkomstig van [medeverdachte 3] of van [betrokkene 1] of had hij zelf opgezocht op internet, zoals informatie over windturbines; hij maakte daar dan een ‘smeuïg verhaal van met feiten’, ‘hij moest dingen verkopen.’
Begin november 2016 kregen de verkopers een bericht dat het payroll bedrijf zou stoppen met verlonen van de salarissen en dat hun contract was beëindigd. Iedereen moest per direct over naar een contract van [B] . [medeverdachte 2] regelde dit in opdracht van [medeverdachte 3] . Over het contract en de voorwaarden mochten ze niets zeggen, maar het zag er volgens [verdachte] ‘allemaal raar uit, verschillende lettertypes en zo’. Aan de voorwaarden veranderde volgens haar eigenlijk niets. [medeverdachte 1] heeft hierover verklaard: ‘Voor ons was het elke keer dat er weer iets anders kwam, een andere stichting, ander bestuur. Voor mij was het van ‘het zal wel, als ik mijn salaris maar beur’.
Het windmolenproject lag van de ene op de andere dag stil en eind november 2016 werd overgestapt naar een nieuw project, [projectnaam 1] . Dit project was verzonnen door [medeverdachte 3] en betrof ‘iets met huisjes in Frankrijk’. Hier werden ook obligaties voor verkocht. Voor een ander nieuw project, [projectnaam 2] ( [D] obligaties voor leningen aan MKB’ers en [H] obligaties voor vakantiewoningen in [plaats] ), waren aanvankelijk geen brochures om de klanten van informatie te voorzien. Er zijn toen door de verdachten vragen verzameld uit de verkoopgesprekken. [verdachte] heeft deze in een Powerpoint verwerkt, zodat die verstuurd kon worden aan klanten. De inhoud hiervan was afkomstig van de website en werd door [medeverdachte 3] aan [verdachte] doorgegeven. De rekenvoorbeelden heeft [verdachte] op verzoek van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] opgesteld. Volgens [medeverdachte 1] heeft [verdachte] de staten voor dit product gemaakt omdat zij goed was met cijfers en was het ‘vage bullshit’.
In december 2016 kwamen berichten in de media over beschuldigingen door de FIOD over oplichting tegen [A] in samenhang met [B] . [medeverdachte 1] heeft van [medeverdachte 2] gehoord dat [medeverdachte 4] een inval van de FIOD verwachtte en volgens [medeverdachte 3] was het handig om naar een andere locatie te gaan kijken. In diezelfde maand deelde [medeverdachte 3] aan de verkopers mee dat de ING-rekeningen niet meer moesten worden gebruikt om gelden van beleggers te laten storten en dat alles was omgezet naar de BUNQ-bank. Iedereen kreeg van [medeverdachte 3] te horen dat ze er mee bezig waren en dat de bankrekeningen bevroren waren. Na een paar weken was er weer een andere bank. [verdachte] heeft hierover verklaard dat zij dat een raar verhaal vonden en hierover contact hebben opgenomen met de bank, maar die wilde hier niets over zeggen. [medeverdachte 3] hield de boot af als ergens om werd gevraagd. Volgens [verdachte] ‘hebben we met zijn allen half december 2016 gevraagd over hoe het kon en hoe het verder moest’.
Op 16 december 2016 is het verkoopkantoor verhuisd naar de [a-straat] in [geboorteplaats] . Volgens één van de andere verkopers, [betrokkene 2] , had [medeverdachte 2] verteld dat alles wat een link kon aantonen tussen [B] en [A] moest verdwijnen. Ze moesten hun bellijsten inleveren en hij kreeg zijn oude leads allemaal weer terug op de [a-straat] om te gaan bellen voor nieuwe producten. Degenen die werden gebeld kenden de link met [B] en [A] niet, omdat werd gebeld namens [projectnaam 2] . [medeverdachte 2] heeft verklaard dat na de publicaties in de media over mogelijke fraude, klanten niet meer werden gebeld namens [B] . Ook [verdachte] en [medeverdachte 1] wisten dat klanten in het vervolg werden gebeld namens [projectnaam 2] .
In december 2016 waren er problemen om de salarissen van de verkopers te betalen. Deze problemen werden veroorzaakt doordat de bankrekeningen waren bevroren en/of omdat twee verkopers het faillissement van [B] hadden aangevraagd. Er is een afspraak geweest bij het [E] langs [b-straat] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben toen € 5.000 contant van [betrokkene 3] ontvangen. Dat geld is aan het personeel uitbetaald. Naar aanleiding van het faillissement is het personeel, met een man of tien naar een curator geweest. Daar is gesproken over het feit dat het personeel nog steeds wilde werken voor ‘zo’n man als [medeverdachte 3] die de boel vermoedelijk had opgelicht’. Een deel van het personeel is weggegaan. De rest van het personeel kwam in dienst van [G] B.V., een vennootschap van [medeverdachte 3] . Ook [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn per 2 januari 2017 in dienst gekomen van [G] B.V. Vanaf die datum werd hun salaris vanuit deze vennootschap, waarvan [medeverdachte 3] middellijk enig aandeelhouder en bestuurder was, betaald. In het kantoorpand [c-straat 1] te [geboorteplaats] is op 28 maart 2017 tijdens een doorzoeking een lijstje aangetroffen met namen en functies van de personeelsleden. Op dat lijstje staan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als leidinggevenden opgenomen. [verdachte] staat als hoofd secretariaat vermeld.
De inleggelden voor deelname in [projectnaam 1] en [projectnaam 2] , die kort na de start binnenkwamen zijn vrijwel geheel besteed aan operationele kosten zoals salarissen en bonussen, rentevergoeding aan andere beleggers, geringe contante opnamen en overboekingen naar (andere) verdachten. Er werd derhalve evenals bij [A] en [B] niet geïnvesteerd in de aan investeerders voorgespiegelde projecten.
Dat zowel bij [verdachte] , als bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bekend was dat de gang van zaken niet deugde, vindt bevestiging in het navolgende.
In een whatsapp gesprek met [medeverdachte 3] van 17 januari 2017 geeft [verdachte] aan dat zij een klant heeft gebeld en hem heeft gerustgesteld. De man herkende haar stem en dacht dat hij haar eerder had gesproken. [verdachte] zegt in het whatsapp gesprek dat haar naam [alias] is. Naar aanleiding van dit gesprek heeft [verdachte] bij de FIOD verklaard dat [medeverdachte 3] niet wilde dat zij haar eigen naam gebruikte. [B] was toen failliet en er waren een hoop klanten die belden en e-mails verstuurden. Daarom moest [verdachte] klanten bellen en wilde [medeverdachte 3] dat zij een andere naam gebruikte. Het hof concludeert hieruit dat voormalige investeerders in [B] niet mochten weten dat sprake was van feitelijk dezelfde organisatie die onder een andere naam nieuwe obligaties verkocht. Dat [verdachte] ook zelf klanten belde blijkt uit een tapgesprek van 1 maart 2017 waarin zij [medeverdachte 3] informeert dat iedereen lekker aan de bel is en dat zij zelf ook een en ander heeft gebeld. Ook is zij zelf gebeld door een potentiële investeerder, die bij het horen van de naam ‘ [verdachte] ’ aangeeft dat dit een bekende naam is, maar vervolgens als reden geeft dat de dochter van een kennis dezelfde naam heeft. [verdachte] geeft dan richting [medeverdachte 3] aan ‘dat ze het al warm kreeg’, naar het hof begrijpt kennelijk omdat [verdachte] bang was dat de betreffende investeerder een link had gelegd met [B] .
[medeverdachte 1] is in februari 2017 een avond bij [betrokkene 2] geweest, die hem heeft laten zien dat [medeverdachte 3] knipt en plakt van allerlei bedrijven. [medeverdachte 1] heeft zich toen ziek gemeld, maar is enkele dagen later weer naar kantoor gegaan. [medeverdachte 2] vond dat [betrokkene 2] ‘gewoon moest bellen, en niet zo moest zeiken’.
Ook uit een uitgewerkt telefoongesprek tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] van 20 februari 2017 volgt dat bekend was dat investeerders onjuistheden werden voorgehouden. In dat gesprek vertelt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 3] dat hij een potentiële investeerder heeft voorgehouden dat, indien deze investeerder wil stoppen ‘hij met een week a twee weken zijn centjes weer terug heeft’; op de opmerking van [verdachte] ‘hoe hij dat kan zeggen’, heeft [medeverdachte 2] gereageerd met de opmerking ‘dat dit het verkooppraatje is’.
Witwassen
Het hof leidt uit voorgaande feiten en omstandigheden, die - in samenhang bezien met de als bijlage bij dit arrest gevoegde bewijsmiddelen - redengevend zijn voor de bewezenverklaring, af dat de gelden die door beleggers in de periode december 2016 tot en met 28 maart 2017 zijn overgemaakt voor obligaties in [projectnaam 1] en [projectnaam 2] niet zijn besteed op de wijze zoals dit aan de beleggers is voorgehouden. De ingelegde gelden zijn niet geïnvesteerd in vakantiewoningen in [plaats] , er zijn geen leningen verstrekt aan MKB’ers en er is niet geïnvesteerd in vakantiewoningen in [plaats] .
[verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren er al voor december 2016 mee bekend dat hun salaris afkomstig was van verschillende vennootschappen en bankrekeningen en dat zij ineens een ander arbeidscontract kregen dat gelijk was aan het vorige contract. Ook was al bekend dat informatie werd verteld aan potentiële beleggers die niet werd bevestigd door [medeverdachte 3] en waar verder geen aandacht aan werd besteed omdat moest worden verkocht. Vanaf december 2016 waren de verdachten er mee bekend dat verkoop van obligaties nodig was omdat anders (onder meer) hun salarissen niet konden worden betaald. Uit de media hadden ze vernomen dat bij [A] en [B] vermoedelijk sprake was van oplichting. Zij wisten dat de rekeningen bij de bank waren bevroren, dat een deel van het personeel was opgestapt en dat een faillissement was aangevraagd. Uiteindelijk kregen ze een deel van hun salaris die maand in contanten.
Half december is het verkoopkantoor verplaatst van [betrokkene 4] naar [geboorteplaats] en moest alles wat het nieuwe kantoor in [geboorteplaats] in verband kon brengen met [A] en [B] verdwijnen. De verkopers hielden voor potentiële beleggers verborgen dat zij tot voor kort obligaties hadden verkocht voor [B] . [verdachte] ging zelfs zo ver dat zij op aandringen van [medeverdachte 3] een andere naam heeft gebruikt. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] schuwden geen enkel middel om beleggers over de streep te trekken door leugens te vertellen die zij ‘verkooptools’ en ‘verkooppraatjes’ noemden. Dit was ook de gebruikelijke werkwijze bij [B] , toen werd verzonnen waar windmolens werden aangekocht of gebouwd (‘in [plaats] of [plaats] ’) en waarvoor subsidie zou worden gekregen. Deze werkwijze is voortgezet nadat in december obligaties voor nieuwe beleggingen werden verkocht. [medeverdachte 3] verzon een verhaal over vakantiehuisjes, [verdachte] maakte berekeningen die aan klanten konden worden verzonden en door [medeverdachte 1] als ‘vage bullshit’ werden omschreven en [medeverdachte 2] vertelde klanten wat hij van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] had gehoord. Het bedenken van manieren om obligaties te kunnen verkopen voor [projectnaam 2] , ging op dezelfde manier. Toen [betrokkene 2] [medeverdachte 1] er op had gewezen dat de informatie die aan klanten werd gestuurd niet waar was, is [medeverdachte 1] na een paar dagen gewoon verder gegaan met zijn werkzaamheden. [medeverdachte 2] reageerde op deze informatie dat [betrokkene 2] ‘niet zo moest zeiken’ en gewoon moest bellen.
[verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] lieten beleggers geld overmaken op basis van valse voorwendselen om hun salaris veilig te stellen. Ze vertelden beleggers bewust onwaarheden en wisten (mede) daarom dat hun geld slechts kon worden overgemaakt met geld dat (mede) van oplichting afkomstig was. Hun wetenschap hiervan kan in ieder geval worden bewezen vanaf het moment dat publicaties over oplichting bij [B] in de media verschenen, de bankrekeningen van [B] werden bevroren en het kantoor werd verplaatst, waarbij elke link met [B] moest worden vernietigd, terwijl op dezelfde wijze werd voortgegaan met de verkoop van nieuwe verzonnen producten. Het hof acht op die grond het ten laste gelegde witwassen over de periode 1 december 2016 tot 28 maart 2017 bewezen.
Wat betreft het door de verdediging gevoerde verweer, dat van personeel op de werkvloer niet kan worden verwacht dat zij zelf een due diligence onderzoek uitvoeren naar de herkomst van hun salaris, overweegt het hof dat het in casu niet gaat om de verkoop van producten die geoorloofd zijn, maar om de verkoop van het product oplichting, waar de verdachten zelf in hebben geparticipeerd. Het verweer wordt op die grond verworpen.
Dat de verdachte er van mocht uitgaan dat haar salaris in februari en maart 2017 afkomstig was van een (legale) lening die [medeverdachte 3] medio februari 2017 zou hebben afgesloten of van verkoopopbrengsten van zijn auto, kan in de gegeven omstandigheden niet worden gevolgd.
De overige verweren van de verdediging vinden hun weerlegging in het vorenoverwogene.”

3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat sprake is van ‘witwassen’ als bedoeld in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
3.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.

4.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

5.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

5.1
Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] .
5.2
Het hof heeft de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en heeft daartoe overwogen:
“Vordering van de [benadeelde 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 12.807,00 voor materiële schade en bestaat uit € 10.000,00 voor de aankoop van twee [F] obligaties van elk € 5.000,00, ten bewijze waarvan de inschrijfformulieren en het bewijs van (online) betaling d.d. 22 maart 2017 door hem zijn bijgevoegd, uit € 2.600,00 voor gemiste rente gedurende vier jaren en een rentevergoeding over deze gemiste rente van € 207,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Er is sprake van een zodanig nauw verband tussen de witwasgedragingen van de verdachte en de oplichting die daaraan ten grondslag heeft gelegen en de benadeelde ertoe heeft gebracht de obligaties te kopen, dat kan worden vastgesteld dat het door de verdachte gepleegde witwassen rechtstreeks de door de benadeelde partij geleden schade heeft veroorzaakt. Het hof zal de vordering toewijzen tot het bedrag van de inleg voor de obligaties, dat wil zeggen € 10.000,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Over dit bedrag moet de wettelijke rente worden vergoed vanaf 22 maart 2017.
(...)
Het hof zal voor wat betreft het toegewezen deel van de vordering de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vordering van de [benadeelde 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 32.418,00 en bestaat voor € 31.688,00 uit materiële schade en € 750,00 uit immateriële schade. De materiële schade is ontstaan door de aankoop van tien obligaties in [projectnaam 1] van € 2.500,00 per stuk, dat wil zeggen € 25.000,00. Een bedrag van € 6.668,00 is in de vordering begrepen voor gemiste rente. Onder het kopje ‘aanvullingen’ op het schadeformulier is vermeld dat de benadeelde partij € 170,00 aan rente heeft ontvangen. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Er is sprake van een zodanig nauw verband tussen de witwasgedragingen van de verdachte en de oplichting die daaraan ten grondslag heeft gelegen en de benadeelde ertoe heeft gebracht de obligaties te kopen, dat kan worden vastgesteld dat het door de verdachte gepleegde witwassen rechtstreeks de door de benadeelde partij geleden schade heeft veroorzaakt. Het hof zal de vordering toewijzen tot een bedrag van de inleg voor de obligaties, dat wil zeggen € 25.000,00, verminderd met de ontvangen rente van € 170,00, dat wil zeggen € 24.830,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Over dit bedrag moet de wettelijke rente worden vergoed vanaf 28 december 2016, de datum waarop de inleg blijkens het door de benadeelde partij overgelegde afschrift is overgemaakt.
(...)
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vordering van de [benadeelde 3]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 25.000,00 voor materiële schade en deze bestaat geheel uit de inleg voor een obligatie in [F] . De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Er is sprake van een zodanig nauw verband tussen de witwasgedragingen van de verdachte en de oplichting die daaraan ten grondslag heeft gelegen en de benadeelde ertoe heeft gebracht de obligatie te kopen, dat kan worden vastgesteld dat het door de verdachte gepleegde witwassen rechtstreeks de door de benadeelde partij geleden schade heeft veroorzaakt. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot het bedrag van € 25.000,00 zal worden toegewezen. Over dit bedrag moet de wettelijke rente worden vergoed vanaf 20 maart 2017, de datum waarop de inschrijving/betaling van de inleg blijkens het door de benadeelde partij overgelegde e-mailbericht heeft plaatsgevonden.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.”
5.3.1
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 51f lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.”
- Artikel 361 lid 2 Sv:
“De benadeelde partij zal alleen ontvankelijk zijn in haar vordering indien:
a. de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd (...), dan wel in geval van toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht; en
b. aan haar rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit of door een strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van de rechtbank wordt gebracht, en waarmee door de rechtbank bij de strafoplegging rekening is gehouden.”
- Artikel 36f lid 1 en 2 Sr:
“1. Aan degene die bij rechterlijke uitspraak wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld tot een straf of aan wie bij rechterlijke uitspraak een maatregel wordt opgelegd (...) of waarbij door de rechter bij de strafoplegging rekening is gehouden met een strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van de rechtbank wordt gebracht dan wel jegens wie een strafbeschikking wordt uitgevaardigd, kan de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer of de personen genoemd in artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De staat keert een ontvangen bedrag onverwijld uit aan het slachtoffer of de personen genoemd in artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
2. De maatregel kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.”
5.3.2
Een benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden als tussen – kort gezegd – enerzijds het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en anderzijds de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden.
Daarnaast geldt dat voor vergoeding aan de benadeelde partij overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht slechts in aanmerking komt de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek aan de verdachte kan worden toegerekend. (Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverweging 2.3.1 en 2.4.1.)
5.4.1
Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van € 9.208,58, zijnde het salaris dat de verdachte heeft verdiend in de tijd dat zij werkzaam was voor verschillende ondernemingen die werden gedreven door medeverdachten die zich binnen het kader van die ondernemingen hebben schuldig gemaakt aan oplichting van investeerders. Drie van die investeerders hebben zich gevoegd als benadeelde partijen met vorderingen tegen de verdachte.
Het hof heeft de vorderingen van die benadeelde partijen toegewezen tot een bedrag van in totaal € 59.830, waarbij het telkens heeft overwogen dat sprake is van “een zodanig nauw verband tussen de witwasgedragingen van de verdachte en de oplichting die daaraan ten grondslag heeft gelegen en de benadeelde ertoe heeft gebracht de obligaties te kopen, dat kan worden vastgesteld dat het door de verdachte gepleegde witwassen rechtstreeks de door de benadeelde partij geleden schade heeft veroorzaakt.”
5.4.2
Het daarin kennelijk besloten liggende oordeel van het hof dat de verdachte overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die deze benadeelde partijen hebben geleden als gevolg van onrechtmatige gedragingen van de verdachte, is niet zonder meer begrijpelijk. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de bewezenverklaarde witwasgedragingen van de verdachte op zichzelf al onrechtmatig waren jegens deze benadeelde partijen, is dat oordeel niet toereikend gemotiveerd, nu uit de vaststellingen en overwegingen van het hof geen verband naar voren komt tussen het door de verdachte witgewassen geldbedrag en de door deze benadeelde partijen geïnvesteerde gelden. Voor het aannemen van dit verband volstaat niet dat de verdachte werkzaam was voor bepaalde ondernemingen en ermee bekend was dat zij werd betaald met door bedrogen investeerders in die ondernemingen geïnvesteerde gelden. Ook anderszins is niet gebleken dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens deze benadeelde partijen.
5.5
Het cassatiemiddel slaagt. Dat brengt mee dat in zoverre ook de oplegging van de in artikel 36f lid 1 Sr voorziene maatregelen niet in stand kan blijven. (Vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901.)

6.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en de taakstraf van 72 uren, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

7.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 januari 2026.