Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
9 juni 2026.
Hoge Raad
De verdachte werd bij verstek veroordeeld door de politierechter op 26 mei 2020. Het hoger beroep werd namens hem ingesteld op 28 november 2023. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingesteld, waarbij het hof aannam dat het vonnis op 18 oktober 2021 aan de verdachte in persoon was betekend.
De akte van uitreiking vermeldde echter alleen het parketnummer en persoonsgegevens, zonder duidelijkheid over welk stuk daadwerkelijk was uitgereikt. De verdachte verklaarde dat het ging om een boete of schadevergoedingsmaatregel, niet om het vonnis van 26 mei 2020. Het hof concludeerde desalniettemin dat de betekening had plaatsgevonden en wees het verzoek tot nader onderzoek af.
De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk is, omdat niet blijkt welk stuk aan de verdachte is uitgereikt. Volgens artikel 408 lid 2 Sv Pro moet het hoger beroep binnen 14 dagen na de omstandigheid worden ingesteld waaruit blijkt dat de einduitspraak bekend is. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug wegens onduidelijkheid over de betekening van het vonnis en ontvankelijkheid van het hoger beroep.