Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:712

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
25/01706
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 lid 2 SvArt. 511h SvArt. 511i SvArt. 6:1:16 lid 2 SvArt. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in ontnemingszaak wegens ontbreken stellige klacht

De betrokkene stelde in cassatie beroep in tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit witwassen van twee auto's.

De Hoge Raad onderzocht de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en oordeelde dat alleen stellige en duidelijke klachten over schending van rechtsregels of vormvoorschriften als cassatiemiddelen kunnen worden beoordeeld. De schriftuur van de betrokkene voldeed hier niet aan, omdat deze slechts tot vernietiging van de ontnemingsuitspraak strekte indien het middel in de hoofdzaak gegrond zou worden bevonden.

Daarnaast werd vastgesteld dat de schriftuur niet binnen de wettelijke termijn was ingediend, waardoor het beroep niet-ontvankelijk is. De Hoge Raad benadrukte dat een uitspraak tot ontneming pas tenuitvoer kan worden gelegd nadat de veroordeling onherroepelijk is geworden en dat een ontnemingsuitspraak vervalt indien de veroordeling achterwege blijft.

De Hoge Raad verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk en bevestigde daarmee de uitspraak van het gerechtshof.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een stellige klacht en het niet tijdig indienen van de schriftuur.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer25/01706 P
Datum21 april 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 april 2025, nummer 20-002861-24, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben de advocaten J.H.L. Antonides en M. Draaijers bij schriftuur een (voorwaardelijk) cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het cassatieberoep.

2.Beoordeling van de schriftuur en de ontvankelijkheid van het beroep

2.1
Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad alleen cassatiemiddelen (klachten) als in de wet bedoeld. Als een zodanig cassatiemiddel kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moet blijven.
De schriftuur strekt immers slechts tot vernietiging van de bestreden uitspraak in de ontnemingszaak voor het geval dat het tweede cassatiemiddel in de hoofdzaak gegrond zou worden bevonden. Daarbij verdient nog opmerking dat op grond van artikel 6:1:16 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een uitspraak op een vordering van het openbaar ministerie tot oplegging van de verplichting een geldbedrag aan de staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel pas kan worden tenuitvoergelegd nadat en voor zover de veroordeling als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) onherroepelijk is geworden. Verder vervalt op grond van artikel 511i Sv een uitspraak op een vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 36e Sr van rechtswege doordat en voor zover de uitspraak als gevolg waarvan de veroordeling van de verdachte als bedoeld in artikel 36e Sr achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat (vgl. HR 14 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1016).
2.2
Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur met cassatiemiddelen heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van artikel 437 lid 2 in Pro samenhang met artikel 511h Sv. Dat brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 april 2026.