Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:579

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
24/01825
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9, lid 2, letter a, Wet OBpost a.1, van Tabel I bij de Wet OBpunt 1 van Bijlage III van BTW-richtlijn 2006
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake omzetbelasting op magische truffels

Belanghebbende, een B.V., had beroep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de door haar op aangifte betaalde omzetbelasting voor het tijdvak van 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019. De zaak betrof de vraag of magische truffels als levensmiddelen voor menselijke consumptie konden worden aangemerkt in de zin van de Wet op de Omzetbelasting 1968 en de BTW-richtlijn 2006, en daarmee in aanmerking kwamen voor een verlaagd tarief.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld aan de hand van de wettelijke bepalingen, waaronder artikel 9, lid 2, letter a, van de Wet OB, post a.1 van Tabel I bij de Wet OB, en punt 1 van Bijlage III van de BTW-richtlijn 2006. Tevens speelde het rechtszekerheidsbeginsel een rol in de beoordeling.

De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2026:450) waarin soortgelijke rechtsvragen zijn behandeld en concludeert dat de middelen van belanghebbende falen. Er is geen aanleiding om de uitspraak van het hof te vernietigen.

De Hoge Raad ziet geen reden om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee blijft de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in stand.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aanslag omzetbelasting blijft gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/01825
Datum10 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 april 2024, nr. BK-ARN 22/1695 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 20/3749) betreffende het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag aan omzetbelasting over het tijdvak 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.J.C. Perdaems, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door A.J.C. Perdaems, advocaat.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 23/03016, ECLI:NL:HR:2026:450.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.