Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:574

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
24/01824
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 2 letter a Wet OBpunt 1 van Bijlage III van BTW-richtlijn 2006
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep cassatie inzake omzetbelasting magische truffels

Belanghebbende, een B.V., had beroep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de door haar verschuldigde omzetbelasting voor het tijdvak van 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019. De zaak betrof de vraag of magische truffels als levensmiddelen voor menselijke consumptie konden worden aangemerkt in de zin van de Wet op de Omzetbelasting 1968 en de BTW-richtlijn 2006, en daarmee onder de vrijstelling van artikel 9, lid 2, letter a, Wet OB vielen.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van belanghebbende beoordeeld en verwees naar een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2026:450) waarin soortgelijke gronden zijn behandeld. De middelen van belanghebbende faalden op dezelfde gronden als in dat arrest. De Hoge Raad zag geen aanleiding om het oordeel van het hof te wijzigen.

De Hoge Raad heeft geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee blijft het oordeel van het hof in stand dat de omzetbelasting over de levering van magische truffels terecht is geheven, waarbij het rechtszekerheidsbeginsel is betrokken in de overwegingen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de omzetbelastingheffing over magische truffels blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/01824
Datum10 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 april 2024, nr. BK-ARN 22/1693 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 20/2956) betreffende het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag aan omzetbelasting over het tijdvak 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.J.C. Perdaems, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door A.J.C. Perdaems, advocaat.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het heden uitgesproken arrest met nummer 23/03016, ECLI:NL:HR:2026:450.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.