Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
2.Uitgangspunten in cassatie
De Inspecteur heeft bij zijn conclusies verwezen naar bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek en het onderzoek van de NVWA.Op deze gronden heeft de Inspecteur begin 2017 aan belanghebbende de volgende belastingaanslagen opgelegd: over het jaar 2013 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en een navorderingsaanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en een aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, en over de jaren 2013 tot en met 2015 naheffingsaanslagen in de omzetbelasting (hierna alle tezamen: de belastingaanslagen).
3.De oordelen van het Hof
(i) of de Inspecteur heeft verzuimd alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen en daarmee heeft gehandeld in strijd met artikel 8:42, lid 1, Awb,
(ii) of bepaalde stukken en gegevens die de Inspecteur heeft gebruikt voor het opleggen en onderbouwen van de belastingaanslagen, buiten beschouwing moeten worden gelaten omdat deze zijn verkregen in strijd met de wet of onder zodanige omstandigheden dat het gebruik ervan ontoelaatbaar moet worden geacht,
(iii) of de belastingaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld, en
(iv) of belanghebbende recht heeft op een integrale vergoeding van de kosten van de rechtsbijstand die haar beroepsmatig is verleend in verband met de behandeling van de bezwaren, het beroep en het hoger beroep.
Het Hof heeft, onder verwijzing naar artikel 8:31 Awb Pro, geen gevolgen verbonden aan deze schendingen van artikel 8:42, lid 1, Awb.
4.Beoordeling van de middelen
Middel 1 richt zich voorts tegen de hiervoor in 3.5 weergegeven afwijzing door het Hof van de door belanghebbende – onder meer vanwege het niet-inbrengen door de Inspecteur van cruciale op de zaak betrekking hebbende stukken – verzochte integrale proceskostenvergoeding.
Volgens de door belanghebbende op 28 juni 2024 op deze kennisgeving gegeven reactie gaat het om een grote hoeveelheid RIEC-stukken en aantekeningen waarvan de Staatssecretaris tijdens de Woo-procedure aanvankelijk stelde dat deze de Inspecteur niet ter beschikking hebben gestaan en niet in het bezit van de Belastingdienst zijn, maar die uiteindelijk alsnog, na de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant in de Woo-procedure [3] , aan belanghebbende zijn verstrekt op grond van artikel 8:42 Awb Pro.
Uit de uitspraak van het Hof noch de stukken van het geding blijkt dat dit betoog ook voor het Hof is aangevoerd. De beoordeling van dit betoog vergt een onderzoek van feitelijke aard, waarvoor de cassatieprocedure geen mogelijkheid biedt. Het middel kan daarom in zoverre niet tot cassatie leiden.