ECLI:NL:HR:2026:56
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat PV-installatie als gebouwd eigendom geldt en niet onder werktuigenuitzondering valt
Belanghebbende huurde het dak van een distributiecentrum en exploiteerde daarop een fotovoltaïsche (PV) installatie. De heffingsambtenaar van de gemeente Ridderkerk kwalificeerde deze installatie als één onroerende zaak voor de Wet WOZ en legde een aanslag onroerendezaakbelasting op. Het geschil betrof de vraag of de PV-installatie onder de werktuigenuitzondering viel, waardoor deze niet als onroerende zaak zou worden belast.
Het Hof Den Haag oordeelde dat de PV-installatie als gebouwd eigendom moet worden aangemerkt omdat deze duurzaam ter plaatse blijft, mede door de ballast en het huuraanvullend opstalrecht. De werktuigenuitzondering was daarom niet van toepassing. Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte niet had onderzocht of de PV-installatie zelfstandigheid in bouwkundig opzicht had en dat het opstalrecht als separaat WOZ-object moest worden beschouwd.
De Hoge Raad verwierp dit middel. Het bevestigde dat het opstalrecht geen onroerende zaak is in de zin van de Wet WOZ en dat de PV-installatie als afzonderlijk WOZ-object moet worden beoordeeld. Het Hof had de juiste maatstaf gehanteerd door te kijken naar de duurzame bestemming ter plaatse. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en liet het oordeel van het Hof in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel dat de PV-installatie als gebouwd eigendom geldt blijft in stand.