ECLI:NL:HR:2026:548
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie tegen afwijzing voorlopige voorziening niet-ontvankelijk
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Overijssel, waarin het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van dit beroep aan de hand van de toepasselijke wettelijke bepalingen.
Op grond van artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie en artikel 28, lid 4, letter c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), in samenhang met artikel 8:84, lid 2, letter c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is cassatieberoep tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter die strekt tot afwijzing van een voorlopige voorziening uitgesloten.
Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.
Uitkomst: Het beroep in cassatie tegen de afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard.