ECLI:NL:HR:2026:548

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
25/04801
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78 lid 4 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 28 lid 4 letter c AWRArt. 8:84 lid 2 letter c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie tegen afwijzing voorlopige voorziening niet-ontvankelijk

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Overijssel, waarin het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van dit beroep aan de hand van de toepasselijke wettelijke bepalingen.

Op grond van artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie en artikel 28, lid 4, letter c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), in samenhang met artikel 8:84, lid 2, letter c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is cassatieberoep tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter die strekt tot afwijzing van een voorlopige voorziening uitgesloten.

Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep in cassatie tegen de afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer25/04801
Datum27 maart 2026
ARREST
op het door [X] (hierna: belanghebbende) ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Overijssel van 17 december 2025, nr. ZWO 25/3401, waarin het verzoek van belanghebbende om een voorlopige voorziening is afgewezen.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Op grond van artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie neemt de Hoge Raad alleen kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter voor zover dit bij wet is bepaald. Op grond van artikel 28, lid 4, letter c, AWR, in samenhang gelezen met artikel 8:84, lid 2, letter c, Awb, kan geen beroep in cassatie worden ingesteld tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank die strekt tot afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening. Het beroep in cassatie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.