Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:543

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
25/04155
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbArt. 6:7 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 september 2025. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van dit beroep. Uit het dossier bleek dat het beroepschrift op 16 november 2025 was ontvangen, terwijl de wettelijke termijn van zes weken na de uitspraak van het hof was verstreken.

De Hoge Raad gaf belanghebbende vervolgens de gelegenheid om binnen vier weken te verklaren waarom de termijn was overschreden. De door belanghebbende ingediende verklaring bood geen voldoende grond om het verzuim te rechtvaardigen. Daarom werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en sprak het arrest uit in aanwezigheid van de genoemde raadsheren en griffier op 27 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer25/04155
Datum27 maart 2026
ARREST
op het door [X] (hierna: belanghebbende) ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 september 2025, nr. 24/112 [1] .

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

1.1
De griffier van het Hof heeft op de uitspraak van het Hof aangetekend dat een afschrift van die uitspraak op 24 september 2025 in het digitale dossier van partijen is geplaatst. Uit een door de griffier van de Hoge Raad op het beroepschrift in cassatie gestelde aantekening blijkt dat dit beroepschrift op 16 november 2025 bij de griffie van de Hoge Raad is ontvangen. Het beroepschrift in cassatie is dus niet ingediend binnen de in artikel 6:7 Awb Pro gestelde termijn van zes weken.
1.2
De griffier van de Hoge Raad heeft op 9 februari 2026 in het digitale dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld binnen vier weken mee te delen waarom de beroepstermijn is overschreden.
1.3
Hetgeen belanghebbende in zijn via het webportaal van de Hoge Raad ingediende brief van 6 maart 2026 aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest. Daarom zal de Hoge Raad het beroep in cassatie met toepassing van artikel 6:6 Awb Pro niet-ontvankelijk verklaren.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.