ECLI:NL:HR:2026:494
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling overdrachtsbelasting bij verkrijging aandelen na juridische splitsing
Belanghebbende hield 50% van de aandelen in een splitsende vennootschap die op 17 november 2020 juridisch werd gesplitst. De splitsende vennootschap hield onroerende zaken in Nederland en Duitsland. Na de splitsing ging het vermogen over op twee nieuw opgerichte vennootschappen, waarbij belanghebbende aandeelhouder werd van één daarvan.
De verkrijging van de onroerende zaak door de nieuw opgerichte vennootschap was vrijgesteld van overdrachtsbelasting op grond van artikel 15 lid 1 sub h Wet Pro BRV. In geschil was of deze vrijstelling ook van toepassing was op de verkrijging van de aandelen door belanghebbende.
Het hof oordeelde dat de vrijstelling ook voor de aandelenverkrijging geldt, omdat de wetgever niet expliciet een uitzondering heeft gemaakt en de tekst en strekking van de wet dit ondersteunen. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af. De vrijstelling is bedoeld om fiscale belemmeringen bij bedrijfseconomisch ingegeven splitsingen te voorkomen, en omvat ook de verkrijging van aandelen in de nieuwe vennootschap.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de vrijstelling van overdrachtsbelasting voor de verkrijging van aandelen na splitsing.