Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
10 februari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak hebben drie buitenlandse handelsbanken en een centrale bank gezamenlijk een klaagschrift ingediend tegen beslaglegging op 19,5 miljoen euro op Schiphol, vanwege verdenking van witwassen. Het hof Den Haag heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en het verweer dat de centrale bank immuniteit geniet op grond van internationaal gewoonterecht verworpen.
De centrale vraag in cassatie betrof onder meer of het hof terecht heeft geoordeeld dat de centrale bank geen immuniteit geniet, omdat niet is vastgesteld dat het inbeslaggenomen geld eigendom is van de centrale bank en bestemd is voor monetaire taken. Daarnaast is beoordeeld of het hof het juiste criterium heeft gehanteerd bij het summiere onderzoek in de raadkamer en of het hof heeft verzuimd te beslissen op het standpunt dat het beslag onrechtmatig is gelegd en/of gehandhaafd.
De Hoge Raad oordeelt dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het hofvonnis en dat het niet nodig is om de motivering te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep wordt derhalve verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op 19,5 miljoen euro blijft gehandhaafd.