Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:405

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
23/04339
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Wet OBposten a.1, letter c, van Tabel I Wet OBposten b.14, letter d, van Tabel I Wet OB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof over omzetbelasting op alcoholhoudend drankje bij theatervoorstelling

De zaak betreft een geschil over de heffing van omzetbelasting op een alcoholhoudend drankje dat tijdens de pauze van een theatervoorstelling werd verstrekt. Belanghebbende, Stichting [X], kreeg een naheffingsaanslag opgelegd over de periode van 1 juli 2015 tot en met 31 december 2017. Het Hof 's-Hertogenbosch oordeelde eerder over het geschil, maar de Staatssecretaris van Financiën stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak.

De Hoge Raad overwoog dat het verstrekken van het alcoholhoudende drankje niet kan worden gezien als een bijkomende prestatie die het verlaagde tarief voor de toegang tot de voorstelling deelt. Het drankje is belast tegen het algemene omzetbelastingtarief zoals neergelegd in artikel 9, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968. Hierdoor kon het arrest van het Hof niet in stand blijven.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling, met inachtneming van de overwegingen in dit arrest. Tevens moet het verwijzingshof de door belanghebbende ingebrachte stelling over het vertrouwensbeginsel beoordelen, die het Hof eerder onbehandeld liet.

De Hoge Raad wees geen proceskosten toe aan de Staatssecretaris omdat het beroep in cassatie gegrond werd verklaard. Het verwijzingshof zal beslissen over eventuele kostenvergoedingen aan belanghebbende voor eerdere procedures.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling met inachtneming van het algemene omzetbelastingtarief voor het alcoholhoudende drankje.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/04339
Datum13 maart 2026
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
STICHTING [X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 september 2023, nr. 22/01772 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 21/2519) betreffende een aan belanghebbende over de periode 1 juli 2015 tot en met 31 december 2017 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende, vertegenwoordigd door D. Molenaar, heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van het middel

2.1
Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 4.3.1 tot en met 4.3.3 van het heden uitgesproken arrest met nummer 23/04337, ECLI:NL:HR:2026:280, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.
2.2
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Het middel voor het overige behoeft geen behandeling. Verwijzing moet volgen met inachtneming van het volgende.
2.3
Uit hetgeen in rechtsoverwegingen 4.3.1 tot en met 4.3.3 van het hiervoor in 2.1 vermelde arrest van de Hoge Raad is overwogen, volgt dat voor de heffing van omzetbelasting het door belanghebbende verstrekken van het pauzedrankje niet kan worden aangemerkt als een bijkomende prestatie die het voor de hoofdprestatie, het verlenen van toegang tot een voorstelling als bedoeld in post b.14 van de bij de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) behorende Tabel I, geldende verlaagde tarief moet delen. De verstrekking van dat drankje is – voor zover het betreft een alcoholhoudende drank (zie rechtsoverweging 2.3 van het hiervoor in 2.1 vermelde arrest) – belast naar het in artikel 9, lid 1, van de Wet neergelegde algemene omzetbelastingtarief.
Dat betekent dat het verwijzingshof de door het Hof onbehandeld gelaten stelling van belanghebbende moet beoordelen. Deze stelling houdt in dat de naheffingsaanslag in strijd met het vertrouwensbeginsel is opgelegd.

3.Proceskosten

Aangezien het door de Staatssecretaris ingestelde beroep in cassatie gegrond is, is er geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding moet worden toegekend.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, en
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.