Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
6.Beslissing
13 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag. De zaak betreft schuldwitwassen van een geldbedrag van € 79.443,75, waarbij de benadeelde partij, [benadeelde 1] U.A., een vordering tot schadevergoeding heeft ingediend. De verdachte, geboren in 1984, heeft in de periode van 3 tot 6 juli 2018 geldbedragen voorhanden gehad die afkomstig waren uit een misdrijf. De Hoge Raad heeft de vordering van de benadeelde partij beoordeeld en vastgesteld dat deze partij voldoende heeft aangetoond dat zij schade heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte. De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit eerdere uitspraken en concludeert dat het hof toereikend heeft gemotiveerd dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Daarnaast is er een verzoek tot kostenveroordeling in cassatie gedaan door de benadeelde partij, maar dit verzoek is afgewezen omdat de Hoge Raad geen aanleiding ziet om de verdachte te veroordelen in de kosten van de cassatieprocedure. De Hoge Raad verwerpt het beroep van de verdachte, waarbij ook de redelijke termijn van de procedure aan de orde is gekomen, maar zonder verdere rechtsgevolgen.