Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
6.Beslissing
13 januari 2026.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond schuldwitwassen van een geldbedrag van €79.443,75 centraal. De benadeelde partij vorderde schadevergoeding omdat een cliënt door oplichting en identiteitsmisbruik een bedrag naar een verkeerde rekening had overgemaakt, dat vervolgens op de rekening van de verdachte was bijgeschreven.
Het hof Den Haag had de vordering van de benadeelde partij toegewezen en de verdachte veroordeeld tot schadevergoeding. De verdachte stelde in cassatie onder meer dat er onvoldoende rechtstreeks verband bestond tussen het bewezenverklaarde en de schade van de benadeelde partij, en dat de vordering niet-ontvankelijk moest worden verklaard.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende had gemotiveerd dat de benadeelde partij schade had geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg was van het bewezenverklaarde. Ook al had de benadeelde partij mogelijk andere wegen kunnen bewandelen om de schade te verhalen, stond het haar vrij te kiezen welke partij zij aansprak. Daarnaast werd vastgesteld dat de verdachte over het geld kon beschikken.
Verder constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, maar achtte dit niet aanleiding tot een ander rechtsgevolg gezien de lichte straf. Het verzoek van de benadeelde partij om de verdachte te veroordelen in de kosten van de cassatieprocedure werd afgewezen omdat daarvoor geen wettelijke grondslag bestaat.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het hofarrest.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toewijzing van de schadevergoeding aan de benadeelde partij.