ECLI:NL:HR:2026:38

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
23/03100
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over schuldwitwassen en schadevergoeding aan benadeelde partij

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag. De zaak betreft schuldwitwassen van een geldbedrag van € 79.443,75, waarbij de benadeelde partij, [benadeelde 1] U.A., een vordering tot schadevergoeding heeft ingediend. De verdachte, geboren in 1984, heeft in de periode van 3 tot 6 juli 2018 geldbedragen voorhanden gehad die afkomstig waren uit een misdrijf. De Hoge Raad heeft de vordering van de benadeelde partij beoordeeld en vastgesteld dat deze partij voldoende heeft aangetoond dat zij schade heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte. De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit eerdere uitspraken en concludeert dat het hof toereikend heeft gemotiveerd dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Daarnaast is er een verzoek tot kostenveroordeling in cassatie gedaan door de benadeelde partij, maar dit verzoek is afgewezen omdat de Hoge Raad geen aanleiding ziet om de verdachte te veroordelen in de kosten van de cassatieprocedure. De Hoge Raad verwerpt het beroep van de verdachte, waarbij ook de redelijke termijn van de procedure aan de orde is gekomen, maar zonder verdere rechtsgevolgen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/03100
Datum13 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 9 augustus 2023, nummer 22-001898-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M. Berndsen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens de benadeelde partij [benadeelde 1] U.A. heeft de advocaat H.M.A. over de Linden een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] U.A. en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde 1] U.A. , tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
2.2
De advocaat-generaal heeft in haar conclusie onder 3.2 samengevat waarop de vordering van [benadeelde 1] betrekking heeft:
“Het in hoger beroep gehandhaafde verzoek tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] U.A. houdt in dat de schade is ontstaan doordat een cliënt van [benadeelde 1] U.A. als gevolg van oplichting en misbruik van identiteit van [benadeelde 2] , werkzaam voor [benadeelde 1] U.A. , een bedrag van € 79.433,75 heeft overgemaakt naar een verkeerde rekening.”
2.3
Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 3 juli 2018 tot en met 6 juli 2018, te ’s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, een voorwerp, te weten
- een of meer geldbedragen (van in totaal 79.443,75 euro) voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en heeft omgezet, terwijl hij redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dit voorwerp geheel - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.”
2.4
Bij de stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van de benadeelde partij van 13 september 2021, met bijlagen. Dit verzoek houdt onder meer in:
“Door oplichting en misbruik van mijn identiteit heeft onze cliënt een bedrag van € 79.433 overgemaakt naar een andere rekening.”
2.5.1
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg is namens de benadeelde partij op vragen van de politierechter onder meer geantwoord:
“Technisch gezien is de klant bestolen van het geldbedrag van bijna 80.000 euro. Het geld is naar een verkeerde bankrekening overgemaakt. Deze schade wordt niet gedekt door de verzekering. Ik weet wel dat mijn klant hiervan aangifte heeft gedaan. Ik weet niet of mijn klant de schade heeft geclaimd.
U vraagt mij of mijn klant voor de tweede keer het verschuldigde bedrag aan mijn bedrijf heeft overgeboekt. Dat is niet gebeurd.”
2.5.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 juli 2023 is namens de benadeelde partij onder meer verklaard:
“De vordering wordt gehandhaafd. Er is geen geld via de verzekering uitgekeerd en er is niet via een andere weg geprobeerd het geld terug te krijgen.”
2.5.3
Volgens dat proces-verbaal heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“Primair niet-ontvankelijkheid vanwege de bepleite vrijspraak.
Subsidiair: niet-ontvankelijkheid vanwege het ontbreken van voldoende rechtstreeks verband. De voorliggende zaak is wat atypisch. Uit het dossier blijkt dat een of meer onbekend gebleven personen [A] hebben bewogen tot betaling van een bedrag. Het geld is toen niet overgemaakt naar de andere contractpartij, maar naar de rekening van cliënt. Op dat moment ontstaat de schade. Daarbij is cliënt echter niet betrokken, gelet op de onherroepelijke vrijspraken voor de feiten 1 t/m 3. De schade dus wel in een rechtstreeks verband met die onderliggende fraude, maar niet met de daaropvolgende handelingen. De eventuele witwashandelingen achteraf hebben de schade niet veroorzaakt.
Meer subsidiair meen ik dat [benadeelde 1] / [benadeelde 2] geen schade heeft geleden als gevolg van het feit, althans dat er onvoldoende rechtstreeks verband is omdat het juist een andere partij is die schade heeft geleden, namelijk [A] . [A] heeft naar de verkeerde rekening betaald en heeft daardoor schade geleden. [benadeelde 1] / [benadeelde 2] kan aanspraak maken op betaling; immers kan de [benadeelde 1] / [benadeelde 2] er niets aan doen dat [A] op een ander rekeningnummer heeft betaald. Het strekt te ver buiten de regeling van de benadeelde partij om nu te stellen dat [benadeelde 1] / [benadeelde 2] , doordat [A] slachtoffer is geworden van een strafbaar feit, schade heeft geleden.
Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg dat [benadeelde 2] heeft verklaard dat hij niet weet of [A] de schade ergens heeft geclaimd (p. 3). Kortom, [A] heeft schade geleden en niet valt uit te sluiten dat die schade al is vergoed.
Kort gezegd: [benadeelde 1] / [benadeelde 2] heeft door het feit/de feiten geen schade geleden, althans er is onvoldoende rechtstreeks verband. Ook daarom bepleit ik niet-ontvankelijkheid.
Meest subsidiair meen ik dat de vordering een onevenredig beslag legt op het strafgeding, en daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De situatie is civielrechtelijk immers ingewikkeld:
Zoals ik al aanvoerde moet worden aangenomen dat [A] - kennelijk zonder het door te hebben - niet aan [benadeelde 1] ( [benadeelde 2] ) heeft betaald, maar naar de rekening van een derde (cliënt). De verdediging voerde net aan dat civielrechtelijk voor de hand lijkt te liggen dat dit in de risicosfeer van [A] ligt, en dat in de verhouding tussen [A] en [benadeelde 1] het zo zal zijn dat [benadeelde 1] aanspraak kan maken op [A] om alsnog bevrijdend te betalen. Dat geldt te meer als [A] het bedrag heeft kunnen terugvorderen (hetgeen onbekend is, pv ttz p. 3). Kennelijk heeft [benadeelde 1] ervoor gekozen om niet aan [A] te vragen om alsnog bevrijdend te betalen. Hoe uw hof dit alles ook beoordeelt, het is in ieder geval een ingewikkeld civielrechtelijk aspect dat zich niet leent voor beoordeling in een strafzaak.
De hiervoor opgeworpen vragen, onder andere over de mate van rechtstreeks verband tussen het eventuele witwassen en de schade, en het feit dat [benadeelde 1] zich heeft gevoegd en niet [A] , terwijl dit complexe civiele kwesties zijn, maken dat deze vordering thuishoort bij de civiele rechter en een onevenredig beslag legt op het strafgeding. Dit zou overlegging van allerlei stukken, het horen van getuigen et cetera noodzakelijk maken. N-O.”
2.5.4
Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Het hof heeft over de vordering van de benadeelde partij onder meer overwogen:
“Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 1] U.A.
In het onderhavige strafproces heeft de coöperatie [benadeelde 1] U.A. zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 bewezenverklaarde tenlastegelegde, tot een bedrag van € 79.433,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 79.433,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezenverklaarde. Dat de benadeelde partij wellicht ook op andere wijze haar schade vergoed had kunnen krijgen, doet aan het voorgaande niet af. Het is immers aan de benadeelde partij zelf om te bepalen welke weg zij kiest c.q. welke partij zij aanspreekt om haar schade vergoed te krijgen. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.”
2.6
Een benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden als voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Voor de beantwoording van de vraag of zo’n verband bestaat, zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. Bovendien geldt dat voor vergoeding aan de benadeelde partij overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht slechts in aanmerking komt de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek aan de verdachte kan worden toegerekend. (Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverweging 2.3.1 en 2.4.1.)
2.7
Het cassatiemiddel klaagt in de eerste plaats over het oordeel van het hof dat [benadeelde 1] heeft aangetoond dat zij tot het toegewezen geldbedrag schade heeft geleden en dat het hof daarbij heeft overwogen dat het “aan de benadeelde partij zelf [is] om te bepalen welke weg zij kiest c.q. welke partij zij aanspreekt om haar schade vergoed te krijgen”. Dit oordeel is, ook in het licht van wat de raadsman heeft aangevoerd, toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat ook als in de rechtsverhouding tussen de benadeelde partij en de schuldenaar de betaling – die is bijgeschreven op de bankrekening van de verdachte in plaats van op de bankrekening van [benadeelde 1] – niet (volledig) bevrijdend zou zijn (vgl. HR 28 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:783, rechtsoverweging 3.1.2), dat niet zonder meer meebrengt dat in de rechtsverhouding tussen [benadeelde 1] en de verdachte moet worden aangenomen dat [benadeelde 1] geen schade heeft geleden als gevolg van de vastgestelde onrechtmatige gedragingen van de verdachte. Uit wat namens [benadeelde 1] in eerste aanleg en in hoger beroep is meegedeeld volgt dat de schuldenaar de factuur niet een tweede keer heeft betaald aan [benadeelde 1] . Verder is in hoger beroep verklaard dat de schade niet door de verzekering is gedekt.
2.8
Het cassatiemiddel klaagt verder over het oordeel van het hof dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezenverklaarde. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte kon beschikken over het aan [benadeelde 1] toekomende geldbedrag dat was bijgeschreven op de bankrekening van de verdachte.
2.9
Het cassatiemiddel faalt in zoverre.

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand alsmede de taakstraf van tachtig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Beoordeling van het namens de benadeelde partij gedane verzoek tot kostenveroordeling
[benadeelde 1] heeft verzocht de verdachte te veroordelen in de kosten van de cassatieprocedure en in de kosten van hoger beroep. Nu het hof de verdachte heeft veroordeeld in de door [benadeelde 1] gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, terwijl voor een cassatieprocedure als deze niet is voorzien in een veroordeling van de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in cassatie heeft gemaakt, zal aan dit verzoek voorbij worden gegaan.

6.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 januari 2026.