ECLI:NL:HR:2026:313
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake vennootschapsbelasting 2014
Belanghebbende, een vennootschap, was het niet eens met de aan haar opgelegde aanslag vennootschapsbelasting over 2014, alsmede met een navorderingsaanslag en de daarbij behorende beschikkingen inzake belastingrente. Na een uitspraak van de Rechtbank Gelderland werd hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Dit hof heeft op 30 januari 2024 uitspraak gedaan, waarbij het beroep van de Inspecteur werd toegewezen.
Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende tegen het arrest van het hof beoordeeld, maar geoordeeld dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad heeft geen motivering gegeven omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad heeft ook geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard. Hiermee blijft het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in stand en is de aanslag vennootschapsbelasting en navorderingsaanslag over 2014 definitief bevestigd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden blijft in stand.