Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Waar het in deze zaak om gaat
(i) die gekweekt is met zaad van rassen die vermeld staan in de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen van de Europese Unie [1] (hierna ook: gecertificeerd zaad) en/of
(ii) waarvan het tetrahydrocannabinol-gehalte (hierna: THC-gehalte) niet hoger is dan de drempelwaarde van voorheen 0,2% en naar huidig recht 0,3% (hierna ook: de drempelwaarde), [2] terwijl volgens de wetgeving van de lidstaat waar die hennep werd geteeld die teelt strafrechtelijk toegelaten (hierna: legaal) was.
3.Juridisch kader
Unierecht
4.Aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen
De (on)verenigbaarheid van de nationale regeling met het Unierecht
Met het oog op die verificatie, en om illegale hennepteelt tegen te gaan, moeten personen die in aanmerking willen komen voor een rechtstreekse betaling voor het telen van hennep, aan een aantal specifieke normen voldoen. Voor hen geldt niet alleen dat zij gebruik moeten maken van het onder 4.4.2 bedoelde gecertificeerde zaad en dat zij ter controle op dat vereiste bij de aanvraag voor zo’n betaling het gebruikte zaadras en de gebruikte hoeveelheden zaaizaad, uitgedrukt in kilogram per hectare moeten vermelden, met overlegging van de in artikel 12 van Pro de Richtlijn 2002/57/EG bedoelde documenten. [21] In verband met die verificatieprocedure moeten die telers daarnaast voldoen aan de ‘teelteis’ dat – behoudens de in het Unierecht voorziene uitzonderingssituaties – pas tien dagen na het einde van de bloei mag worden geoogst om de verificatie van het THC-gehalte mogelijk te maken. [22] In de nationale uitvoeringsregelingen van de lidstaten zijn de hiervoor genoemde normen waaraan telers zich moeten houden nader uitgewerkt, met onder meer nadere regels over de aanmelding van de teelt bij de bevoegde autoriteiten. [23]
In dit verband is mede van belang dat, zoals onder 2.3.4 aan de orde is gekomen, het volgens een in deze zaak opgemaakt rapport van het NFI met de huidige technieken niet mogelijk is om door middel van forensisch onderzoek de naam van de betreffende variëteit vast te stellen. Als zou worden vereist dat door de opsporingsautoriteiten nader onderzoek wordt verricht naar het soort zaad waarmee aangetroffen hennep is geteeld, zal dit een groot beslag leggen op de capaciteit om illegale hennepteelt op te sporen en te vervolgen, nu forensisch onderzoek daarbij geen duidelijkheid kan verschaffen. Gelet op de belangen van de volksgezondheid lijkt het daarom in de rede te liggen dat op basis van het Unierecht alleen een exceptie wordt aangenomen als (ook) is voldaan aan de onder 4.4.6 bedoelde meldingsnorm en de teelteis van – kort gezegd – een oogst ten minste tien dagen na het einde van de bloei, nu die normen ertoe strekken die de autoriteiten in staat te stellen op eenvoudige en effectieve wijze te controleren of aan de onder 4.4.5 en 4.4.6 genoemde voorwaarden is voldaan.
In cassatie kan daarom niet als vaststaand worden aangenomen dat wat betreft de in de bewezenverklaring onder 1 bedoelde hennep is voldaan aan alle onder 4.5.1 genoemde voorwaarden. Dit roept de vraag op of in zo’n geval de enkele omstandigheden dat (i) het THC-gehalte lager is dan de onder 2.5.1 bedoelde drempelwaarde (op dit moment 0,3%) en (ii) de hennep in Nederland ingevoerd is uit een andere lidstaat waar de hennep volgens de daar geldende (al dan niet lokale) wetgeving legaal is geteeld, met zich brengen dat een exceptie op basis van het Unierecht moet worden aangenomen, zoals bedoeld onder 2.5.1.
5.Verzoek om een prejudiciële beslissing
eersteprejudiciële vraag luidt:
tweedeprejudiciële vraag luidt:
derdeprejudiciële vraag luidt:
6.Beslissing
10 februari 2026.