ECLI:NL:HR:2026:191

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
24/02842
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10a.1 OpiumwetArt. 10.5 OpiumwetArt. 2.A OpiumwetArt. 11b.1 OpiumwetArt. 10.4 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging onttrekking aan het verkeer van poeder in drugszaken

In deze zaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van voorbereidingshandelingen en uitvoer van amfetamine naar Finland, deelneming aan een criminele drugsorganisatie en gewoontewitwassen. Het hof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld en onder meer besloten tot onttrekking aan het verkeer van een wit poeder in een glazen pot en een plastic potje met daarin poeder.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het deel van het arrest dat betrekking had op de onttrekking aan het verkeer van de genoemde poeders, omdat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het bezit van deze voorwerpen in strijd was met de wet of het algemeen belang.

De Hoge Raad volgde deze conclusie en vernietigde het arrest uitsluitend voor dat onderdeel, zonder terugverwijzing. Voor het overige verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep. De uitspraak werd gedaan door de strafkamer van de Hoge Raad op 10 februari 2026.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor het deel over onttrekking aan het verkeer van poeder in potten, het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/02842
Datum10 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 juli 2024, nummer 21-003528-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat G. Spong bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van (i) een wit poeder in een glazen pot en (ii) een plastic potje met daarin poeder, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de beslissing van het hof tot onttrekking aan het verkeer van “een wit poeder in een glazen pot” en “een plastic potje met daarin poeder”.
2.2
De klacht is gegrond. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.2 tot en met 4.6.

3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten – wat betreft het eerste en het tweede cassatiemiddel mede gelet op de gronden die in rubriek 2 zijn vermeld in het vandaag uitgesproken arrest in de zaak 24/02748, ECLI:NL:HR:2026:178 – niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet verder te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van de klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van “een wit poeder in een glazen pot” en “een plastic potje met daarin poeder”;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada, T. Kooijmans, F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 februari 2026.