ECLI:NL:HR:2026:18

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
24/04199
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigverklaring van dagvaarding in drugslaboratoria-onderzoek wegens schending van het recht om het laatst te spreken

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 6 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam. De zaak betreft de nietigverklaring van een dagvaarding in een strafzaak die verband houdt met drugslaboratoria. De verdachte, geboren in 1972, had in hoger beroep aangevoerd dat hem niet het recht was gelaten om het laatst te spreken, zoals voorgeschreven in artikel 283 van het Wetboek van Strafvordering. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep toonde aan dat dit recht niet was gerespecteerd. De advocaat-generaal had geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe behandeling van de zaak.

De Hoge Raad oordeelde dat de schending van het recht om het laatst te spreken leidt tot nietigheid van het onderzoek en de daaropvolgende uitspraak. Dit is in lijn met eerdere jurisprudentie, waaronder HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3250. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het hof en wees de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, zodat de zaak opnieuw kan worden berecht en afgedaan. Dit arrest benadrukt het belang van procesrechten in strafzaken, met name het recht van de verdachte om zich volledig te kunnen verdedigen en het laatste woord te voeren.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/04199
Datum6 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 november 2024, nummer 23-001234-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat S.F.W. van 't Hullenaar bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de verdachte niet het recht is gelaten het laatst te spreken.
2.2.1
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:
“De verdachte, ter terechtzitting verschenen, antwoordt op vragen van de voorzitter te zijn:
(...)
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. J.F. van der Brugge, advocaat te Amsterdam.
(...)
De voorzitter deelt mee dat in eerste aanleg de rechtbank de oorspronkelijke zaak die zag op vijf feiten, heeft gesplitst in zaak A (aan de Opiumwet gerelateerde feiten en deelname aan een criminele organisatie; feiten 1, 2 en 3) en zaak B (het aanwezig hebben van hennep en het witwassen van geldbedragen; feiten 4 en 5). In zaak A heeft de rechtbank de dagvaarding nietig verklaard en in zaak B is de verdachte veroordeeld.
Aan de orde is zaak A. Enkel de verdediging is in hoger beroep gegaan tegen deze beslissing van de rechtbank.
De raadsman licht desgevraagd de reden van het hoger beroep toe:
Het onderzoek in zaak B is voortgekomen uit zaak A. In eerste aanleg heeft het openbaar ministerie aanvankelijk gesteld dat de zaken zodanig verknocht waren dat ze bij elkaar moesten blijven. Later heeft de officier van justitie de splitsing van de zaken gevorderd.
De rechtbank heeft de zaken gesplitst en heeft de dagvaarding in de daardoor ontstane zaak A nietig verklaard. De reden van die nietigverklaring was, kort gezegd, dat het openbaar ministerie er een rommeltje van had gemaakt. Ditzelfde is gebeurd in de zaken van de medeverdachten.
Het openbaar ministerie heeft de zaak aangeleverd en op basis van die dagvaarding moest de rechtbank de zaak afdoen. Ik ben van mening dat ofwel de verdachte had moeten worden vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs, ofwel het openbaar ministerie niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. De dagvaarding had niet nietig moeten worden verklaard.
Ik ben het niet eens met de uitspraak in eerste aanleg en verzoek u daarom de beslissing van de rechtbank te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar de rechtbank, voor een inhoudelijke behandeling. Mijn bedoeling is de splitsing van de zaken ongedaan te laten maken en de zaken A en B gezamenlijk geheel opnieuw te behandelen.
Ik realiseer mij dat in geval van een terugwijzing het openbaar ministerie een vordering tot wijziging van de tenlastelegging kan doen. In geval de dagvaarding ook in hoger beroep nietig wordt verklaard, kan het openbaar ministerie opnieuw dagvaarden.
Het is mij niet bekend of het openbaar ministerie dat voornemen heeft; ik heb geen bericht ontvangen.
De advocaat-generaal deelt mee:
Het openbaar ministerie is inderdaad voornemens de verdachte en de medeverdachten terzake van de feiten waarvoor de tenlastelegging in eerste aanleg nietig is verklaard, opnieuw te dagvaarden. Aangezien de rechtbank de zaken van alle verdachten tegelijkertijd wil behandelen, is gewacht tot de behandeling van deze zaak van de verdachte in hoger beroep is afgerond.
Ik heb een bericht van de zaaksofficier van justitie, waarin zij meldt dat de dagvaarding in concept naar (de raadslieden van) alle verdachten is gestuurd en dat de rechtbank in afwachting is van de uitkomst van dit hoger beroep in de zaak van deze verdachte. De zaaksofficier stelt dat zij op 25 oktober 2022 de raadsman van deze verdachte een e-mailbericht heeft gestuurd met een concept van de nieuwe aangepaste tenlastelegging.
(...)
De advocaat-generaal licht desgevraagd haar standpunt toe over de beslissing tot splitsing van de zaken: Dé rechtbank heeft de zaken A en B terecht gesplitst; er is immers geen verband tussen de feiten 1,2 en 3 enerzijds en 4 en 5 anderzijds. Zaak B kan vandaag simpel worden afgedaan. In geval de splitsing zou worden teruggedraaid, wordt zaak B onaanvaardbaar lang aangehouden.
De advocaat-generaal voert het woord aan de hand van haar op schrift gestelde requisitoir (...). In aanvulling daarop voert zij aan:
Ik ben van mening dat de verdachte heeft kunnen begrijpen waarvan hij wordt beschuldigd. In zaak A is de dagvaarding ten onrechte nietig verklaard; het vonnis dient te worden vernietigd. Verzocht wordt zaak A terug te wijzen naar de rechtbank.
Het hof onderbreekt het onderzoek voor beraad in raadkamer.
Na het beraad in raadkamer wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mee, dat de beslissing tot splitsing van de zaak in zaak A en zaak B, zoals besloten in eerste aanleg, in stand zal blijven.
In zaak A moet het hof - gelet op de stukken in het dossier en de in hoger beroep ingenomen standpunten - beslissen tot vernietiging van het vonnis en terugwijzing naar de rechtbank of tot bevestiging van het vonnis. Het hof zal gelet daarop zaak A niet inhoudelijk behandelen.
(Zaak B zal vandaag wel inhoudelijk worden behandeld).
De raadsman en de advocaat-generaal verklaren desgevraagd dat zij het voorgaande hebben begrepen en daarover geen opmerkingen willen maken.
De voorzitter verklaart het onderzoek (in zaak A) gesloten en deelt mee, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 7 november 2024 om 13:30 uur.”
2.2.2
Het hof heeft, zonder onderzoek in de zaak, het vonnis van de rechtbank bevestigd. In dat vonnis is de dagvaarding nietig verklaard, kort gezegd, omdat de tenlastelegging geen voldoende duidelijke omschrijving van het aan de verdachte gemaakte verwijt inhield.
2.3
Artikel 283 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt:
“1. In de gevallen waarin van nietigheid van de dagvaarding, onbevoegdheid van rechtbank of niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie zonder onderzoek van de zaak zelf kan blijken, is de verdachte bevoegd dit verweer reeds dadelijk na de ondervraging bedoeld in artikel 273, voor te dragen en toe te lichten.
2. De officier van justitie kan daarop antwoorden.
3. De verdachte kan andermaal en, als de officier van justitie daarna weer het woord voert, nogmaals het woord voeren.
4. De rechtbank gaat tot beraadslaging over en doet uitspraak over het gevoerde verweer.
5. Wordt het verweer ontijdig of ongegrond bevonden, dan wordt het onderzoek in de zaak zelf onmiddellijk voortgezet.
6. Ook ambtshalve kan de rechtbank zonder onderzoek in de zaak de nietigheid van de dagvaarding, haar onbevoegdheid of de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie uitspreken, nadat zij de officier van justitie en de verdachte heeft gehoord.”
2.4
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat aan de verdachte het recht is gelaten het laatst te spreken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat het in het zesde lid in samenhang met het derde lid van artikel 283 Sv gegeven voorschrift niet is nageleefd. Dat leidt tot nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak. (Vgl. HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3250.)
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
6 januari 2026.