Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
10 februari 2026.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens het plegen van ontucht met een cliënt terwijl hij als masseur werkzaam was in de maatschappelijke zorg. Het hof oordeelde dat de verdachte onder de werkingssfeer van artikel 249 lid 2 sub Pro 3 oud Sr viel.
De verdachte stelde in cassatie onder meer de vraag of hij daadwerkelijk werkzaam was in de maatschappelijke zorg, hetgeen relevant was voor de toepassing van het wetsartikel. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep.
De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad zag geen noodzaak tot nadere motivering omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Daarmee werd het beroep van de verdachte verworpen en bleef het arrest van het gerechtshof in stand. De uitspraak werd gedaan door de vice-president Borgers en raadsheren Posthumus en Kuiper op 10 februari 2026.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen, arrest gerechtshof blijft in stand.