Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
10 maart 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft het opzettelijk doden van een damhert op 26 april 2021 te Burgh-Haamstede, binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid in de provincie Zeeland. Hoewel Provinciale Staten een vrijstelling verleenden aan grondgebruikers om schadeveroorzakende dieren te doden, was voor uitvoering schriftelijke en gedagtekende toestemming vereist.
Verdachte voerde aan dat hij via een lidmaatschap van de Wildbeheereenheid Schouwen toestemming had verkregen, omdat een andere grondgebruiker aan een lid van die vereniging toestemming had gegeven en deze toestemming binnen de vereniging werd doorgegeven. Het hof verwierp dit verweer omdat de wet niet voorziet in het doorgeven van toestemming zonder expliciete instemming van de grondgebruiker.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en oordeelt dat het ontbreken van schriftelijke toestemming betekent dat verdachte geen beroep kan doen op de vrijstelling. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit wordt bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de strafrechtelijke aansprakelijkheid van verdachte voor het opzettelijk doden van een damhert zonder geldige toestemming wordt bevestigd.