ECLI:NL:HR:2026:1332

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
26/01028
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 52 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Belanghebbende, een B.V., stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland. De Hoge Raad wees belanghebbende bij aangetekende brief op de verplichting tot betaling van griffierecht binnen vier weken. Deze betaling bleef uit, waarna belanghebbende werd verzocht een toelichting te geven. Belanghebbende voerde aan dat de verplichting tot voorafbetaling van griffierecht in strijd zou zijn met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en dat de Hoge Raad prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU moest stellen.

De Hoge Raad verwierp dit betoog en verwees naar een recent arrest waarin deze argumenten al waren behandeld. Er was geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen. Gezien het niet voldoen van het griffierecht en het ontbreken van gegronde redenen voor uitstel, verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb.

De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier op 17 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer26/01028
Datum17 juli 2026
ARREST
op het door [X] B.V. (hierna: belanghebbende), vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 19 februari 2026, nr. HAA 25/3812 V.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

1.1
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 7 mei 2026 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Het griffierecht is niet voldaan.
1.2
De griffier van de Hoge Raad heeft op 5 juni 2026 een bericht in het digitale dossier van belanghebbende geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid is gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet is betaald. Belanghebbende heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt met een op 11 juni 2026 via het webportaal van de Hoge Raad ingediende brief.
1.3
Belanghebbende voert in de brief van 11 juni 2026 – samengevat – aan dat het op straffe van niet-ontvankelijkheid vooraf moeten betalen van griffierecht als voorwaarde voor het in behandeling nemen van een cassatieberoep zich niet verhoudt met artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in samenhang gelezen met artikel 52 daarvan Pro, en dat de Hoge Raad verplicht is hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Dit betoog faalt. Op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.4 van het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, ziet de Hoge Raad geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
1.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 1.3 is overwogen, is er geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest. Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.