ECLI:NL:HR:2026:129

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
25/01975
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens schending onmiddellijkheidsbeginsel niet aannemelijk

In deze zaak heeft eiser cassatieberoep ingesteld tegen de arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het geschil betreft een vermeende schending van het onmiddellijkheidsbeginsel, omdat de mondelinge behandeling plaatsvond voor de rechter-commissaris en partijen niet de gelegenheid kregen hun standpunten toe te lichten voor de meervoudige kamer die de beslissing nam.

De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland en de arresten van het hof, en beoordeelt de klachten van eiser over de arresten. De conclusie van de Advocaat-Generaal was dat het cassatieberoep verworpen moest worden, waarop de advocaat van eiser schriftelijk heeft gereageerd.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten niet leiden tot vernietiging van de arresten en dat het niet nodig is om de motivering te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, die nihil zijn vastgesteld.

Het arrest is gewezen door de vicepresident als voorzitter en twee raadsheren, en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer op 30 januari 2026.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens onvoldoende gronden voor schending van het onmiddellijkheidsbeginsel.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/01975
Datum30 januari 2026
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: M.A.J.G. Janssen,
tegen
[verweerder],
wonende te Burgum,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [verweerder],
niet verschenen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. De vonnissen in de zaak C/17/186808/ HA ZA 22-249 van de rechtbank Noord-Nederland van 8 maart 2023 en 18 oktober 2023;
b. de arresten in de zaak 200.336.504/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 augustus 2024 en 25 maart 2025.
[eiser] heeft tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de arresten. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
30 januari 2026.