Uitspraak
1.De loop van het geding in cassatie tot dusver
Het bericht van 20 april 2026 geeft de Hoge Raad aanleiding nog wel het volgende te overwegen. De verplichting om in een zaak waarin een vraag over de uitlegging van Unierecht aan de orde is, prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie voor te leggen, bestaat blijkens artikel 267, derde alinea, VWEU alleen voor nationale rechterlijke instanties waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, en dan alleen indien naar het oordeel van laatstbedoelde instanties op die verwijzingsplicht geen van de drie uitzonderingen van toepassing is als omschreven in punt 21 van het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, 283/81, ECLI:EU:C:1982:335. [2]
(i) drie proceshandelingen (indiening beroepschrift in cassatie, indiening conclusie van repliek en verstrekking van schriftelijke inlichtingen naar aanleiding van de geboden gelegenheid om nadere gegevens te verstrekken) en daarmee dus van 4,5 punt,
(ii) factor 1 wegens het gewicht van de zaak in cassatie,
(iii) de waarde per punt die is neergelegd in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit, en
(iv) de vermenigvuldiging met de factor 0,10, zoals bedoeld in artikel 19a, lid 2, letter b, van de Wet, aangezien dit arrest niet inhoudt dat de bestreden besluiten (een naheffingsaanslag in de bpm en de daarbij geven beschikking inzake belastingrente) worden vernietigd of gewijzigd.
Dit een en ander komt neer op een proceskostenvergoeding van € 421.