Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
10 juli 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen woningstichting Rochdale en een achterblijvende samenwoner die de huur van een sociale huurwoning wil voortzetten na het overlijden van de oorspronkelijke huurder, zijn grootmoeder.
Rochdale vorderde ontruiming in kort geding nadat de grootmoeder in januari 2017 was overleden en de samenwoner zich op art. 7:268 lid 2 BW Pro beriep. De kantonrechter wees de ontruimingsvordering toe, maar het hof vernietigde dit vonnis en wees de vordering af omdat nog niet onherroepelijk was beslist op de bodemvordering tot voortzetting van de huur.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat art. 7:268 lid 2 BW Pro zonder meer in de weg staat aan een ontruimingsvordering in kort geding. De rechter kan in kort geding een ontruimingsvordering toewijzen als evident is dat de bodemrechter de voortzetting van de huur zal afwijzen. Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor verdere behandeling naar het gerechtshof Den Haag.