Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
3 februari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 februari 2024, waarin verdachte werd veroordeeld voor schuldwitwassen van geld op een bankrekening. De benadeelde partij had een vordering ingesteld wegens rechtstreekse schade als gevolg van de witwashandelingen.
De verdachte stelde in cassatie meerdere klachten aan de orde, onder meer over de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de motivering van het hof ten aanzien van de hoofdelijke aansprakelijkheid. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. Daarbij heeft de Hoge Raad geen nadere motivering gegeven, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het cassatieberoep is derhalve verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft. De uitspraak is gedaan door de vice-president en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, tijdens een openbare terechtzitting op 3 februari 2026.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het hofarrest in de schuldwitwaszaak.