ECLI:NL:HR:2026:120

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
23/04662
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering ontnemingsbedrag bij medeplegen bewerken en verwerken cocaïne

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel door medeplegen van het bewerken en verwerken van cocaïne.

In eerste aanleg was de ontnemingsvordering afgewezen, maar het hof kende een deel van het voordeel toe aan de betrokkene en zijn medebetrokkenen. De betrokkene voerde aan dat de toerekening van het voordeel op basis van percentages slechts gokwerk zou zijn. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht 30% van het totaalvoordeel toerekende aan de betrokkene en zijn medebetrokkenen, en vervolgens 2/9 daarvan aan de betrokkene.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest voor zover het de hoogte van het ontnemingsbedrag betreft, met vermindering van het bedrag volgens de gebruikelijke maatstaf, en verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad volgde dit advies en vernietigde het arrest uitsluitend voor de hoogte van het ontnemingsbedrag, dat werd verminderd van €245.844 naar €240.844. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn was overschreden, wat aanleiding gaf tot deze vermindering.

De overige klachten van de betrokkene werden verworpen zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 RO Pro. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en uitgesproken in openbare terechtzitting op 27 januari 2026.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert het ontnemingsbedrag tot €240.844 en bevestigt de toerekening van voordeel bij medeplegen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04662 P
Datum27 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 november 2023, nummer 20-001927-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat K.R. Verkaart bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover het betreft de hoogte van het ontnemingsbedrag, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 245.844.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 240.844 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
27 januari 2026.